Domein A: vaardigheden
Hoe vindt men de waarheid? Hiervoor zijn er onderzoeksconcepten en onderzoeksvaardigheden.
Ondanks tegenstrijdige informatie moet je een afweging maken of oordeel vellen over de
objectiviteit van gegevens:
1. Zijn het absolute of relatieve cijfers?
2. Wie is schrijver? Welke identiteit, belangen, doel.
3. Geschreven met duidelijk onderscheid tussen feiten en fictie.
4. Hoe komt schrijver aan informatie? Transparantie.
5. Heeft er hoor- en wederhoor plaatsgevonden?
6. Zijn er verschillende bronnen en is die informatie ook door andere bronnen bevestigd?
7. Is het kwalitatief controleerbaar?
8. Geldt getoonde beeld voor 1 persoon of hele groep?
9. Betrouwbaarheid vaststellen op basis van het voorafgaande
Begrippen uit statistiek:
Respondenten: deelnemers aan onderzoek
N= hoeveel respondenten bevraagd zijn
Absolute cijfers: 1 getal
Relatieve cijfers: een percentage in verhouding
Causaliteit: verhouding tussen 2 dingen of gebeurtenis (gevolg en een oorzaak)
Correlatie: samenhang tussen variablen
Modus: waarneming die het vaakst voorkomt
Mediaan: middelste getal van een rij
Gemiddelde: getallen bij elkaar optellen en delen door aantal opgetelde getallen
Range: geeft aan wat laagste en hoogste gemeten waarden zijn
Significantieniveau: hoe groot de kans is dat het verband niet op toeval berust
Hoofdconcept Kernconcepten
Vorming Identiteit, socialisatie, acculturatie, politieke socialisatie, cultuur, ideologie
Binding Groepsvorming, sociale cohesie, politieke institutie, sociale institutie,
representatie, representativiteit, cultuur
Verandering Rationalisering, staatsvorming, democratisering, institutionalisering,
individualisering, globalisering
Verhouding Samenwerken, conflict, macht, gezag, sociale (on)gelijkheid
Paradigma’s:
De sociale wetenschappen maken (on)bewust gebruik van paradigma’s. Wij kennen vier
verschillende theoretische tradities met elk hun eigen ontstaansgeschiedenis. Ze spreken elkaar niet
per se tegen en worden bij (sociaalwetenschappelijk) onderzoek vaak gecombineerd. Je kunt ze zien
als ‘brillen’ met elk hun eigen invalshoeken.
Paradigma: een theoretisch raamwerk/wetenschappelijk referentiekader dat bestaat uit een
specifieke combinatie van uitgangspunten en onderzoekstechnische voorschriften. Het bepaalt
(deels) het onderwerp van je onderzoek en welke vragen je stelt.
Deze kun je indelen aan de hand van twee dimensies:
- Structuur/actor - Conflict/consensus
Deze dimensies zijn de bouwstenen die het fundament van een paradigma vormen. Alle theorieën
en onderzoeken verwijzen hiernaar terug.
,-Conflict-paradigma
-Functionalisme-paradigma
-Rationele actor-paradigma
-Sociaalconstructivisme-paradigma
Dimensie 1: structuur/actor
Kernvraag: wie of wat bepaalt hoe mensen zich gedragen?
Het eerste begrippenpaar, actor versus structuur, gaat over de vraag: op welk niveau vindt het
onderzoek plaats? Gaat het over interacties tussen en met actoren (= handelende en reagerende
mensen/organisaties, de betrokken, die een rol spelen).
Structuren zijn minder zichtbaar en alledaags. Paradigma’s met als uitgangspositie dat structuren het
individuele gedrag bepalen, kijken bijvoorbeeld naar verzorgingsstaten of taalsystemen. Zij gaan
ervan uit dat de wereld niet is opgebouwd uit individuen die zelfstandig nadenken, maar uit grotere
structuren die abstract, anoniem en ver verwijderd zijn van onze waarneming.
Paradigma’s die uitgaan van actoren beantwoorden de kernvraag van deze dimensie met: actoren
bepalen zelf hoe ze handelen gebaseerd op rationele overwegingen en/of interacties met andere
actoren. De structuurdenkers daarentegen denken dat gedrag van mensen wordt afgedwongen, of
op zijn minst gestoord, door structuren.
Dimensie 2: conflict/consensus
Kernvraag: is de samenleving gericht op evenwicht en vormen conflicten een uitzondering?
Wetenschappers die uitgaan van consensus nemen aan dat de samenleving gebaat is bij en zich
ontwikkelt richting stabiliteit en continuïteit. Conflicten en tegenstellingen zijn slechts
uitzonderingen die dit bevestigen. Mensen, maar ook structuren, zijn erop gericht om evenwichtig te
blijven.
Conflictsociologen en politicologen daarentegen denken dat mensen en structuren altijd
tegenstrijdige belangen en waarden hebben. Dit kan zowel manifest (zichtbaar) als latent (niet-
zichtbaar) zijn. De samenleving is er één van constante strijd, conflict en overheersing.
Functionalisme-paradigma
Dimensie: consensus & structuur
De uitgangspositie van functionalisten is dat de samenleving een op consensus gericht systeem is.
Om evenwicht, consensus en continuïteit te bereiken heeft de samenleving diverse instituties en
functies. Ze zien de samenleving als een organisme waarin alles zijn functie heeft en het
voortbestaan ondersteunt. Er is samenhang en een vaste orde door noodzakelijke rollen en functies
van alle ‘onderdelen’ van dit ‘organisme’.
Sociale cohesie, onderlinge afhankelijkheid, gedeelde waarden & normen en evenwicht zijn heel
belangrijk. Als het daarbij misgaat, door bijvoorbeeld ‘ander’ gedrag dan gewenst, herstelt het
organisme/de samenleving zichzelf door nadruk op regulering van sociale instituties.
Conflictparadigma
Dimensies: conflict & structuur
Hier draait het om conflict als drijvende kracht in samenlevingen. Het conflictparadigma gaat ervan
uit dat maatschappelijke tegenstellingen en de daarbij horende conflicten als een soort motor
, dienen voor maatschappelijke veranderingen. Mensen, groepen, samenlevingen en de wereld als
geheel zijn hoe dan ook verdeeld en overeenstemming is (bijna) niet mogelijk.
Verschil in macht komen door verschillende ‘soorten’ kapitaal:
- Economisch kapitaal (geld en inkomen).
- Cultureel kapitaal (sociale laag, milieu, smaak).
- Sociaal kapitaal (netwerk en contacten die iemand heeft).
- Politiek kapitaal (de mogelijkheden invloed uit te oefenen/macht).
Verschillen leiden tot tegenstellingen en zo ontstaan conflicten. Die zorgen weer voor een nieuwe
situatie met weer nieuwe verschillen. Binnen groepen is er wel sociale cohesie met gedeelde
belangen, opvattingen, waarden en normen.
Voor de hele samenleving is die er niet, door de cyclus van conflicten (of er moet een dusdanig
dominantie groep zijn die wordt ‘gehoorzaamd’, als er volgens de conflict-denkers sprake is van
dwang).
Let op: ongelijkheid wordt als neutraal ervaren. Het is niet dat alle conflict-denkers een utopie willen
bereiken. Bij dit paradigma passen (neo-) marxistisch denken en theorieën over emancipatie (van
bijv. minderheden). Maar ook de economische ontwikkeling van bijv. ‘derdewereldlanden’ kan
verklaard worden door afhankelijkheidstheorieën vanuit dit paradigma.
Sociaalconstructivisme-paradigma
Dimensies: consensus & actor
‘’Als mensen denken dat iets werkelijkheid/waar is, dan wordt de situatie waar, ongeacht of die echt
de werkelijkheid is, door de aanpassing van het gedrag van deze mensen.’’
Het sociaalconstructivisme gaat ervan uit dat de actoren de (maatschappelijke) werkelijkheid van
betekenis en definitie voorzien. Hierbij construeren mensen en groepen (actoren) hun eigen sociale
werkelijkheid. Er is sprake van sociaal handelen en interactie tussen de actoren. Hierbij interpreteren
de actoren de (sociale) werkelijkheid en geven er betekenis aan, maar dat kan alleen als er
voldoende bindingen zijn. Hierdoor geven actoren hun werkelijkheid vorm en dat bepaalt weer hoe
actoren zich (moeten) gedragen/sociaal (moeten) handelen. Als actoren iets als werkelijk zien,
interpreteren of ervaren, zal dit ‘werkelijke’ gevolgen hebben (ook al was het in de eerste instantie
niet werkelijk). Betekenisgeving vormt zo sociale instituties en cultuur en daarmee de sociale
werkelijkheid en is bijv. ook bepalend voor iemands identiteit. Cultuur, interacties en bindingen zijn
in dit paradigma van belang. Door middel van symbolische betekenisgeving worden de samenleving
en sociaal gedrag geconstrueerd. Dit werkt ook zo bij sociale ongelijkheid, wat ontstaat door
betekenisgeving en beeldvorming van bepaalde groepen. Als binnen een cultuur een bepaalde
sociale werkelijkheid geaccepteerd is, is er ook enige sociale cohesie door het delen van
betekenissen en beelden en het samen ‘construeren’. Bij dit paradigma horen theorieën over hoe
mensen hun persoonlijkheid ontwikkelen en hun identiteit vormen.
Functionalisten betogen dat bindingen afgedwongen worden door de structuren,
sociaalconstructivisten daarentegen denken dat dit individuele keuzes zijn.
Rationele actor-paradigma
Het rationele-actor paradigma stelt dat het sociaal gedrag van actoren voortkomt uit eigenbelang en
een kosten-batenafweging. Hierbij gaat het om rationeel handelen van mensen/groepen/actoren.
Hoe vindt men de waarheid? Hiervoor zijn er onderzoeksconcepten en onderzoeksvaardigheden.
Ondanks tegenstrijdige informatie moet je een afweging maken of oordeel vellen over de
objectiviteit van gegevens:
1. Zijn het absolute of relatieve cijfers?
2. Wie is schrijver? Welke identiteit, belangen, doel.
3. Geschreven met duidelijk onderscheid tussen feiten en fictie.
4. Hoe komt schrijver aan informatie? Transparantie.
5. Heeft er hoor- en wederhoor plaatsgevonden?
6. Zijn er verschillende bronnen en is die informatie ook door andere bronnen bevestigd?
7. Is het kwalitatief controleerbaar?
8. Geldt getoonde beeld voor 1 persoon of hele groep?
9. Betrouwbaarheid vaststellen op basis van het voorafgaande
Begrippen uit statistiek:
Respondenten: deelnemers aan onderzoek
N= hoeveel respondenten bevraagd zijn
Absolute cijfers: 1 getal
Relatieve cijfers: een percentage in verhouding
Causaliteit: verhouding tussen 2 dingen of gebeurtenis (gevolg en een oorzaak)
Correlatie: samenhang tussen variablen
Modus: waarneming die het vaakst voorkomt
Mediaan: middelste getal van een rij
Gemiddelde: getallen bij elkaar optellen en delen door aantal opgetelde getallen
Range: geeft aan wat laagste en hoogste gemeten waarden zijn
Significantieniveau: hoe groot de kans is dat het verband niet op toeval berust
Hoofdconcept Kernconcepten
Vorming Identiteit, socialisatie, acculturatie, politieke socialisatie, cultuur, ideologie
Binding Groepsvorming, sociale cohesie, politieke institutie, sociale institutie,
representatie, representativiteit, cultuur
Verandering Rationalisering, staatsvorming, democratisering, institutionalisering,
individualisering, globalisering
Verhouding Samenwerken, conflict, macht, gezag, sociale (on)gelijkheid
Paradigma’s:
De sociale wetenschappen maken (on)bewust gebruik van paradigma’s. Wij kennen vier
verschillende theoretische tradities met elk hun eigen ontstaansgeschiedenis. Ze spreken elkaar niet
per se tegen en worden bij (sociaalwetenschappelijk) onderzoek vaak gecombineerd. Je kunt ze zien
als ‘brillen’ met elk hun eigen invalshoeken.
Paradigma: een theoretisch raamwerk/wetenschappelijk referentiekader dat bestaat uit een
specifieke combinatie van uitgangspunten en onderzoekstechnische voorschriften. Het bepaalt
(deels) het onderwerp van je onderzoek en welke vragen je stelt.
Deze kun je indelen aan de hand van twee dimensies:
- Structuur/actor - Conflict/consensus
Deze dimensies zijn de bouwstenen die het fundament van een paradigma vormen. Alle theorieën
en onderzoeken verwijzen hiernaar terug.
,-Conflict-paradigma
-Functionalisme-paradigma
-Rationele actor-paradigma
-Sociaalconstructivisme-paradigma
Dimensie 1: structuur/actor
Kernvraag: wie of wat bepaalt hoe mensen zich gedragen?
Het eerste begrippenpaar, actor versus structuur, gaat over de vraag: op welk niveau vindt het
onderzoek plaats? Gaat het over interacties tussen en met actoren (= handelende en reagerende
mensen/organisaties, de betrokken, die een rol spelen).
Structuren zijn minder zichtbaar en alledaags. Paradigma’s met als uitgangspositie dat structuren het
individuele gedrag bepalen, kijken bijvoorbeeld naar verzorgingsstaten of taalsystemen. Zij gaan
ervan uit dat de wereld niet is opgebouwd uit individuen die zelfstandig nadenken, maar uit grotere
structuren die abstract, anoniem en ver verwijderd zijn van onze waarneming.
Paradigma’s die uitgaan van actoren beantwoorden de kernvraag van deze dimensie met: actoren
bepalen zelf hoe ze handelen gebaseerd op rationele overwegingen en/of interacties met andere
actoren. De structuurdenkers daarentegen denken dat gedrag van mensen wordt afgedwongen, of
op zijn minst gestoord, door structuren.
Dimensie 2: conflict/consensus
Kernvraag: is de samenleving gericht op evenwicht en vormen conflicten een uitzondering?
Wetenschappers die uitgaan van consensus nemen aan dat de samenleving gebaat is bij en zich
ontwikkelt richting stabiliteit en continuïteit. Conflicten en tegenstellingen zijn slechts
uitzonderingen die dit bevestigen. Mensen, maar ook structuren, zijn erop gericht om evenwichtig te
blijven.
Conflictsociologen en politicologen daarentegen denken dat mensen en structuren altijd
tegenstrijdige belangen en waarden hebben. Dit kan zowel manifest (zichtbaar) als latent (niet-
zichtbaar) zijn. De samenleving is er één van constante strijd, conflict en overheersing.
Functionalisme-paradigma
Dimensie: consensus & structuur
De uitgangspositie van functionalisten is dat de samenleving een op consensus gericht systeem is.
Om evenwicht, consensus en continuïteit te bereiken heeft de samenleving diverse instituties en
functies. Ze zien de samenleving als een organisme waarin alles zijn functie heeft en het
voortbestaan ondersteunt. Er is samenhang en een vaste orde door noodzakelijke rollen en functies
van alle ‘onderdelen’ van dit ‘organisme’.
Sociale cohesie, onderlinge afhankelijkheid, gedeelde waarden & normen en evenwicht zijn heel
belangrijk. Als het daarbij misgaat, door bijvoorbeeld ‘ander’ gedrag dan gewenst, herstelt het
organisme/de samenleving zichzelf door nadruk op regulering van sociale instituties.
Conflictparadigma
Dimensies: conflict & structuur
Hier draait het om conflict als drijvende kracht in samenlevingen. Het conflictparadigma gaat ervan
uit dat maatschappelijke tegenstellingen en de daarbij horende conflicten als een soort motor
, dienen voor maatschappelijke veranderingen. Mensen, groepen, samenlevingen en de wereld als
geheel zijn hoe dan ook verdeeld en overeenstemming is (bijna) niet mogelijk.
Verschil in macht komen door verschillende ‘soorten’ kapitaal:
- Economisch kapitaal (geld en inkomen).
- Cultureel kapitaal (sociale laag, milieu, smaak).
- Sociaal kapitaal (netwerk en contacten die iemand heeft).
- Politiek kapitaal (de mogelijkheden invloed uit te oefenen/macht).
Verschillen leiden tot tegenstellingen en zo ontstaan conflicten. Die zorgen weer voor een nieuwe
situatie met weer nieuwe verschillen. Binnen groepen is er wel sociale cohesie met gedeelde
belangen, opvattingen, waarden en normen.
Voor de hele samenleving is die er niet, door de cyclus van conflicten (of er moet een dusdanig
dominantie groep zijn die wordt ‘gehoorzaamd’, als er volgens de conflict-denkers sprake is van
dwang).
Let op: ongelijkheid wordt als neutraal ervaren. Het is niet dat alle conflict-denkers een utopie willen
bereiken. Bij dit paradigma passen (neo-) marxistisch denken en theorieën over emancipatie (van
bijv. minderheden). Maar ook de economische ontwikkeling van bijv. ‘derdewereldlanden’ kan
verklaard worden door afhankelijkheidstheorieën vanuit dit paradigma.
Sociaalconstructivisme-paradigma
Dimensies: consensus & actor
‘’Als mensen denken dat iets werkelijkheid/waar is, dan wordt de situatie waar, ongeacht of die echt
de werkelijkheid is, door de aanpassing van het gedrag van deze mensen.’’
Het sociaalconstructivisme gaat ervan uit dat de actoren de (maatschappelijke) werkelijkheid van
betekenis en definitie voorzien. Hierbij construeren mensen en groepen (actoren) hun eigen sociale
werkelijkheid. Er is sprake van sociaal handelen en interactie tussen de actoren. Hierbij interpreteren
de actoren de (sociale) werkelijkheid en geven er betekenis aan, maar dat kan alleen als er
voldoende bindingen zijn. Hierdoor geven actoren hun werkelijkheid vorm en dat bepaalt weer hoe
actoren zich (moeten) gedragen/sociaal (moeten) handelen. Als actoren iets als werkelijk zien,
interpreteren of ervaren, zal dit ‘werkelijke’ gevolgen hebben (ook al was het in de eerste instantie
niet werkelijk). Betekenisgeving vormt zo sociale instituties en cultuur en daarmee de sociale
werkelijkheid en is bijv. ook bepalend voor iemands identiteit. Cultuur, interacties en bindingen zijn
in dit paradigma van belang. Door middel van symbolische betekenisgeving worden de samenleving
en sociaal gedrag geconstrueerd. Dit werkt ook zo bij sociale ongelijkheid, wat ontstaat door
betekenisgeving en beeldvorming van bepaalde groepen. Als binnen een cultuur een bepaalde
sociale werkelijkheid geaccepteerd is, is er ook enige sociale cohesie door het delen van
betekenissen en beelden en het samen ‘construeren’. Bij dit paradigma horen theorieën over hoe
mensen hun persoonlijkheid ontwikkelen en hun identiteit vormen.
Functionalisten betogen dat bindingen afgedwongen worden door de structuren,
sociaalconstructivisten daarentegen denken dat dit individuele keuzes zijn.
Rationele actor-paradigma
Het rationele-actor paradigma stelt dat het sociaal gedrag van actoren voortkomt uit eigenbelang en
een kosten-batenafweging. Hierbij gaat het om rationeel handelen van mensen/groepen/actoren.