Leestekens
De punt(.)
Eind van een zin
Bij afkortingen , p.c/etc.
Let op !
Bij afkortingen die als woord worden uitgesproken schrijf je zonder punt
Bijvoorbeeld ANWB,VVD, kg, cl,L
Komma (,)
Na een opsomming
Tussen twee persoonsvormen in
Voor of na een aanspreking of tussenwerpsel
Voor en na een bijstelling : Roos,dat mooie meisje, werkt bij de deka.
In lange zinnen voor voegwoorden en/of waar de bijzin begint
Puntkomma (;)
Tussen zinnen die sterk samenhangen : het is koud buiten ; ik trek een jas aan
Tussen delen van opsommingen
Dubbele punt (:)
Om een opsomming aan te kondigen
Om directe rede aan te kondigen
Om een verklaring van iets te geven
Aanhalingstekens (‘’)
Bij een citaat
Bij directe rede
Om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft ( bijvoorbeeld
sarcastisch)
Om aan te geven dat het om een woord gaat en niet de betekenis van het woord
Vraagteken (?)
Aan het eind van een vraagzin
Uitroepteken (!)
Aan het eind van een bevel of uitroep
Haakjes ()
Informatie als uitleg, toelichting of voorbeeld
, Beletselteken (…)
Zin die nog niet af is
Onvolledige citaten aan duiden
Hoofdletters
Begin van een zin
Persoon en plaats namen
Verenigingen
Instellingen
Bedrijven en diensten
Aardrijkskundige namen
Feestdagen
Let op de volgende dingen schrijf je NIET met een hoofdletter !
Soorten van iets , bvb spa rood,cola
Afgeleiden dingen van feestdagen, de paashaas
Maanden
Jaargetijden
Dagen
Windstreken
Religies , bvb de islam
Meervouden
Voorbeelden :
Pyjama’s,ski’s,radio’s Klemtoon op de ie is + ën
Etuis,displays Klemtoon NIET op de ie is trema op de e +n
Monniken ay en ey krijgen geen ’s maar gewoon een s erachter
Lemmet,lemmeten
Abonnees,dominees
Ideeën, zeeëm
Appels,appelen
Groenten,groentes
Dosis=doses, dosissen
Basis=bases,basissen
Museum=musea,museums
Datum=data,datums
Medium=media
Medicus=medici
Tussenklanken in samenstellingen
De punt(.)
Eind van een zin
Bij afkortingen , p.c/etc.
Let op !
Bij afkortingen die als woord worden uitgesproken schrijf je zonder punt
Bijvoorbeeld ANWB,VVD, kg, cl,L
Komma (,)
Na een opsomming
Tussen twee persoonsvormen in
Voor of na een aanspreking of tussenwerpsel
Voor en na een bijstelling : Roos,dat mooie meisje, werkt bij de deka.
In lange zinnen voor voegwoorden en/of waar de bijzin begint
Puntkomma (;)
Tussen zinnen die sterk samenhangen : het is koud buiten ; ik trek een jas aan
Tussen delen van opsommingen
Dubbele punt (:)
Om een opsomming aan te kondigen
Om directe rede aan te kondigen
Om een verklaring van iets te geven
Aanhalingstekens (‘’)
Bij een citaat
Bij directe rede
Om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft ( bijvoorbeeld
sarcastisch)
Om aan te geven dat het om een woord gaat en niet de betekenis van het woord
Vraagteken (?)
Aan het eind van een vraagzin
Uitroepteken (!)
Aan het eind van een bevel of uitroep
Haakjes ()
Informatie als uitleg, toelichting of voorbeeld
, Beletselteken (…)
Zin die nog niet af is
Onvolledige citaten aan duiden
Hoofdletters
Begin van een zin
Persoon en plaats namen
Verenigingen
Instellingen
Bedrijven en diensten
Aardrijkskundige namen
Feestdagen
Let op de volgende dingen schrijf je NIET met een hoofdletter !
Soorten van iets , bvb spa rood,cola
Afgeleiden dingen van feestdagen, de paashaas
Maanden
Jaargetijden
Dagen
Windstreken
Religies , bvb de islam
Meervouden
Voorbeelden :
Pyjama’s,ski’s,radio’s Klemtoon op de ie is + ën
Etuis,displays Klemtoon NIET op de ie is trema op de e +n
Monniken ay en ey krijgen geen ’s maar gewoon een s erachter
Lemmet,lemmeten
Abonnees,dominees
Ideeën, zeeëm
Appels,appelen
Groenten,groentes
Dosis=doses, dosissen
Basis=bases,basissen
Museum=musea,museums
Datum=data,datums
Medium=media
Medicus=medici
Tussenklanken in samenstellingen