Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Uitwerking toetsmatrijs Extramuraal CNA RCA ONCO

Rating
-
Sold
4
Pages
28
Uploaded on
11-04-2021
Written in
2019/2020

Uitwerking toetsmatrijs Extramuraal CNA RCA ONCO vanuit alle hoorcollege's, werkcollege's en vaardigheidslessen

Institution
Course

Content preview

Kennistoets
Respiratoir systeem: fysiologie
Longvolumes:
- AV: het ademvolume is het volume lucht dat bij een rustige ademhaling wordt in- en
uitgeademd
- IRV: het inspiratoire reservevolume is het volume dat extra kan worden ingeademd ‘boven
op’ een rustige inademing
- ERV: het expratoire reservevolume is het volume dat extra kan worden uitgeademd na een
rustige uitademing
- RV: het residuale volume is het volume of residu is het volume lucht dat na maximale
uitademing in de longen aanwezig is. Het residuale volume kan overigens niet via spirometrie
worden bepaald. Het wordt bepaald via een heliumverdunningsmethode of door middel van
lichaamsplethysmografie.
Longcapaciteiten:
- IC: de inspriatoire capaciteit is het volume dat na een rustige uitademing maximaal
ingeademd kan worden (AV + IRV)
- FRC: de functionele residuale capaciteit is de inhoud van de longen na een rustige
uitademing (ERV + RV)
- VC: de vitale capaciteit is het maximale volume dat in- of uitgeademd kan worden (IRV + AV +
ERV)
- TLC: de totale longcapaciteit is het maximale volume van de longen, incl. het residuale
volume (IRV + AV + ERV + RV)
- - FEV1/FVC of de Tiffeneau-index is de verhouding
van de twee vorige parameters. Normaal zal iemand
70 tot 80% van zijn vitale capaciteit kunnen
uitademen tijdens de eerste seconde van een
geforceerde uitademing;
Verschillende drukken in de longen:
- Pb: de druk van de buitenlucht (barometer)
- Palv: de druk in de alveoli, tijdens ontspannen
ademhalingsspieren hetzelfde als de buitenlucht
- Ppl: intrapeurale druk, in pleuraholte. Lager dan de
buitenlucht (-4mmHg)
- Poes: druk in de slokdarm komt overeen met Ppl
- Ptp: transpulmonale druk, de druk over de
alveolairmembraan, verschil tussen de alveolaire
druk en intrapleurale druk
- Ptt: transthoracale druk, over thoraxwand
Pleuraholte: de holte tussen 2 vliezen van de longen,
binnenste longvlies: pleura pulmonalis en buitenste longvlies: pleura thoracalis. Buitenste longvlies
bekleedt binnenkant van de thorax en bovenzijde van diafragma.
Veranderingen van druk in pleuraholte tijdens in- en uitademen: bij inademing wordt thorax wijder
en intrapleurale druk sterker negatief wordt, hierdoor wordt lucht naar de alveoli getrokken. Bij
uitademing neemt retractiekracht alveoli af en expansiekracht thorax neemt toe.
Aan het einde van de bronchiaalboom bevinden zich de alveoli, alveoli wordt ondersteund door
elastische en collagene vezels. Tussen de alveoli zijn kleine opening, poriën van Kohn, hierdoor kan
lucht van de ene naar de andere alveolus. Wand van alveoli is dun en rijk aan capillairen, hier vindt
de diffusie plaats. Aan binnenzijde van alveoli bevindt zich een vloeistoflaagje dat voor
oppervlaktespanning zorgt, hierdoor hebben ze de neiging kleiner te worden, zoals een ballon.
Kliercellen in alveolairwand scheiden een stof af die die spanning verlaagt; surfactans, aanwezigheid
van deze stof zorgt ervoor dat er minder druk nodig is om alveoli uit te laten zetten en open te

,houden. Dat wordt aangegeven met begrip compliantie: verandering van volume/verandering van
druk.

Anatomisch dode ruimte: ruimte van de luchtwegen waarin geen gaswisseling plaatsvindt, dit zijn de
neus en keelholte, trachea en de bronchiaalboom.
Tijdens inspanning gaat het ademvolume en -frequentie omhoog, eerst neemt het volume toe, bij
nog hogere belasting wordt de frequentie verhoogd. Waardoor dit komt is nog niet duidelijk, het
komt niet door arteriële pCO2, kan komen doordat signalen vanuit hersenschors naar ademcentrum
gaat en hierdoor ventilatie toeneemt.
Bij ouder worden neemt elasticiteit van longweefsel af, hierdoor neemt retractiekracht af. Hierdoor
verschuift ruststand van thorax naar een relatieve inademingsstand. Hierdoor neemt rustvolume
zelfs iets toe. Doordat alles iets stugger wordt, zijn minder grote bewegingen van ribben mogelijk,
hierdoor neemt vitale capaciteit af. Diameter van kleine bronchiën neemt ook af. Alveolen worden
iets groter en hierdoor wordt het uitwisselingsoppervlak met bloed kleiner. Arteriële pO2 neemt af
met de leeftijd.
Fysiologisch dode ruimte: totale ruimte waar geen gaswisseling plaats (er wordt wel geventileerd
maar is niet doorbloed) kan ook worden beschouwd als dode ruimte.
Ademminuutvolume: ademvolume x ademfrequentie.
Perfusie: de doorbloeding van de longen.
Vaataandoeningen
Klinisch beeld Symptomatisch Perifeer Arterieel Vaatlijden
Therapeut dient tijdens lichamelijk onderzoek extra te letten op:
• huiddefecten die zijn ontstaan tussen het tijdstip van verwijzing en het moment van de
intake;
• opvallend kleur- of temperatuurverschil tussen het linker- en rechterbeen, ontstaan tussen
het tijdstip van verwijzing en het moment van de intake;
• enkeloedeem beiderzijds als mogelijke aanwijzing voor hartfalen (zie de KNGF-richtlijn
Hartrevalidatie);
• standsafwijkingen van de benen;
• tekenen van acute ischemie (pijn, gevoelsstoornissen, spierzwakte, kleur).
5 p’s sPAV
Pijn in rust
Pulseless (afwezigheid pulsaties)
Pallor (Bleekheid en ↓temperatuur)
Paresthesien (Doof gevoel)
Paralyse
stadium I
Asymptomatisch. Typische klachten van Claudicatio Intermittens ontbreken enkel/arm index:
>0,9 en <1.0
Stadium II
Claudicatio Intermittens: Pijn, een moe en stijf gevoel of krampen, meestal inde kuit bij het
lopen (niet bij zitten of staan). Soms een eenzijdig koude gevoel in de voet. enkel/arm index:
>0,5 en <0,9
Stadium IIa
Claudicatio Intermittens, Loopafstand > 100m
Stadium IIb
Claudicatio Intermittens, Loopafstand < 100m Fontaine classificatie
Stadium III
Rustpijn. Ischemische klachten aan voet of been in rust en/of trofische stoornissen [*zie
volgende dia] Enkel/arm index:< 0,5
Stadium IV: Ulcera, dreigende necrose, gangreen aan de voet Enkel/arm index< 0,3

, Oorzaken trombose:

Trias van virchow:




Hoe herken je een trombose been:
 een vrij snel optredende zwelling van één been
 een zwaar gevoel of pijn in het been
 een rode of juist blauwachtige verkleuring van het been
Ook kan er een temperatuurverschil zijn of een strakgespannen huid.
Altijd gelijk naar huisarts sturen!!

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
April 11, 2021
Number of pages
28
Written in
2019/2020
Type
SUMMARY

Subjects

$8.11
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF


Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
ivoryvanleeuwen Hogeschool Utrecht
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
41
Member since
5 year
Number of followers
23
Documents
13
Last sold
1 month ago

4.7

3 reviews

5
2
4
1
3
0
2
0
1
0

Trending documents

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions