Aardrijskunde Klimaat
Klimaat
Klimaat en landschap
- Seizoenen – loodrechte stand van de zon
- Luchtdruk – wet van Buys Ballot
- Atmosferische circulatie = vooral grotere gebieden (continenten)
- Klimaatfactoren (breedte, hoogte, land-zee, gebergte) = kleinere gebieden (klein land
of gebied)
- Klimaatdiagrammen
- Klimaatsysteem van Köppen
- Landschapszones (ligging-klimaat-vegetatie)
- Milieuproblemen – verandering voor de mens
Juli: zon loodrecht op 23 ½ NB
December: zon loodrecht op 23 ½ ZB
ITCZ: (grotere gebieden)
- Lage luchtdruk = neerslag (opstijgende lucht)
- Zon loodrecht
- Gaat op en neer tussen NB en ZB
Hoge luchtdruk = droog, geen neerslag (dalende lucht)
Lucht stroomt altijd van hoge luchtdruk naar lage luchtdruk
- Wet van Buys Ballot
- Afwijking op ZH: naar links
- Afwijking op NH: naar rechts
Overheersende luchtdrukken:
- Zon loodrecht op de evenaar:
Teken een wereldbol: bovenste is altijd H, de rest andersom
- ITCZ gaan continu op en neer. Dus de hoge drukgebied op de 30 graden lijn gaat iets
naar boven.
- Hoge en lage luchtgebieden verplaatsen zich, waar de zon loodrecht staat.
- Windrichtingen veranderen dus ook.
- Windrichting van 30 graden ZB naar evenaar, krijgt afwijking naar rechts. Omdat die
richting het NH gaat. > moesson
Luchtdruk
, - Hoge luchtdruk = dalende lucht = droogte
Op 30 graden dalend vanwege lucht van evenaar
Op de 90 graden dalend vanwege koude lucht
- Lage luchtdruk
Klimaatfactoren (Kleine gebieden)
- Land-zee oppervlak
- Ligging aan land of zee: zee matigt altijd.
- Breedteligging
- Hoogteligging (hoe hoger, hoe kouder)
- Zeestromen
- Ligging van gebergte
Zeestromen – gevolg weer
- Warme zeestroom > warme lucht > meer vocht > neerslag
- Koude zeestromen > koude lucht > minder vocht > droogte
Loef-en lijzijde (gebergtes)
- Loefzijde: vochtige lucht > regen (windkant)
- Lijzijde: droge lucht
Passaten en moessons
- Passaten: winden die altijd hetzelfde zijn, zelfde richting
- Moessons: winden die elk halfjaar veranderen > rond de evenaar (heeft te maken
met dat die de evenaar over gaat)
Land-zee oppervlak
- Zee: gematigde weer > niet extreem koud of heet. Af en toe regen.
- Continent: geen zee-invloed > winter koud, zomer extreem heet.
Klimaatzones op de wereld
- Klimaatzones volgen Köppen
- A - klimaten: evenaar > laag luchtdruk: warm en nat
- B – klimaten: hoog luchtdruk: warm en droog (woestijn)
- C – klimaten: laag luchtdruk: regen
Klimaat
Klimaat en landschap
- Seizoenen – loodrechte stand van de zon
- Luchtdruk – wet van Buys Ballot
- Atmosferische circulatie = vooral grotere gebieden (continenten)
- Klimaatfactoren (breedte, hoogte, land-zee, gebergte) = kleinere gebieden (klein land
of gebied)
- Klimaatdiagrammen
- Klimaatsysteem van Köppen
- Landschapszones (ligging-klimaat-vegetatie)
- Milieuproblemen – verandering voor de mens
Juli: zon loodrecht op 23 ½ NB
December: zon loodrecht op 23 ½ ZB
ITCZ: (grotere gebieden)
- Lage luchtdruk = neerslag (opstijgende lucht)
- Zon loodrecht
- Gaat op en neer tussen NB en ZB
Hoge luchtdruk = droog, geen neerslag (dalende lucht)
Lucht stroomt altijd van hoge luchtdruk naar lage luchtdruk
- Wet van Buys Ballot
- Afwijking op ZH: naar links
- Afwijking op NH: naar rechts
Overheersende luchtdrukken:
- Zon loodrecht op de evenaar:
Teken een wereldbol: bovenste is altijd H, de rest andersom
- ITCZ gaan continu op en neer. Dus de hoge drukgebied op de 30 graden lijn gaat iets
naar boven.
- Hoge en lage luchtgebieden verplaatsen zich, waar de zon loodrecht staat.
- Windrichtingen veranderen dus ook.
- Windrichting van 30 graden ZB naar evenaar, krijgt afwijking naar rechts. Omdat die
richting het NH gaat. > moesson
Luchtdruk
, - Hoge luchtdruk = dalende lucht = droogte
Op 30 graden dalend vanwege lucht van evenaar
Op de 90 graden dalend vanwege koude lucht
- Lage luchtdruk
Klimaatfactoren (Kleine gebieden)
- Land-zee oppervlak
- Ligging aan land of zee: zee matigt altijd.
- Breedteligging
- Hoogteligging (hoe hoger, hoe kouder)
- Zeestromen
- Ligging van gebergte
Zeestromen – gevolg weer
- Warme zeestroom > warme lucht > meer vocht > neerslag
- Koude zeestromen > koude lucht > minder vocht > droogte
Loef-en lijzijde (gebergtes)
- Loefzijde: vochtige lucht > regen (windkant)
- Lijzijde: droge lucht
Passaten en moessons
- Passaten: winden die altijd hetzelfde zijn, zelfde richting
- Moessons: winden die elk halfjaar veranderen > rond de evenaar (heeft te maken
met dat die de evenaar over gaat)
Land-zee oppervlak
- Zee: gematigde weer > niet extreem koud of heet. Af en toe regen.
- Continent: geen zee-invloed > winter koud, zomer extreem heet.
Klimaatzones op de wereld
- Klimaatzones volgen Köppen
- A - klimaten: evenaar > laag luchtdruk: warm en nat
- B – klimaten: hoog luchtdruk: warm en droog (woestijn)
- C – klimaten: laag luchtdruk: regen