Nederlands samenvatting leesvaardigheid blok 2
Functies tekst:
1. De inleiding
- Belangstelling wekken
- Onderwerp introduceren
- Hoofdgedachte formuleren
- Opbouw aankondigen
- Aanleiding noemen
- Welwillend stemmen
2. Het middenstuk
- Hoofdgedachte uitwerken in deelonderwerpen.
3. Het slot
- Samenvatting
- Conclusie
- Aanbeveling
- Afweging
- Oproep
Manieren om alinea’s met elkaar te verbinden:
- Herhaling van woorden of woordgroepen.
- Signaalwoorden
- Signaalzinnen
- Overgangszinnen met een verwijzend woord.
Soorten verbanden en signaalwoorden:
- Tegenstellend verband } maar, daarentegen, echter, toch, terwijl…..
- Opsommend verband } en, ook, bovendien, verder, nog, daarnaast…..
- Oorzakelijk verband } doordat, daardoor, zodat, waardoor, hierdoor, vanwege…..
- Redengevend verband } omdat, want, daarom, namelijk, vanwege…..
- Uitleggend verband } zo, bijvoorbeeld, dat wil zeggen, met andere woorden…..
- Concluderend verband } dus, concluderend, derhalve, hieruit volgt…..
- Samenvattend verband } kortom, samenvattend, alles bij mekaar, al met al…..
- Voorwaardelijk verband } als, indien, mits, tenzij, wanneer, in het geval dat…..
- Vergelijkend verband } zoals, net als, evenals, hetzelfde, als, vergelijk…..
- Doel-middel } opdat, daartoe, door middel van, met het oog op, om te…..
- Chronologisch verband } vroeger, nu, later, eerst, nadat, terwijl, daarna, inmiddels
Verbindingswoorden gebruiken:
- Met verbindingswoorden maak je duidelijk hoe de verschillende delen van je tekst
met elkaar samenhangen.
- voorbeelden: het, als, bovendien, er, dat…..
Functies tekst:
1. De inleiding
- Belangstelling wekken
- Onderwerp introduceren
- Hoofdgedachte formuleren
- Opbouw aankondigen
- Aanleiding noemen
- Welwillend stemmen
2. Het middenstuk
- Hoofdgedachte uitwerken in deelonderwerpen.
3. Het slot
- Samenvatting
- Conclusie
- Aanbeveling
- Afweging
- Oproep
Manieren om alinea’s met elkaar te verbinden:
- Herhaling van woorden of woordgroepen.
- Signaalwoorden
- Signaalzinnen
- Overgangszinnen met een verwijzend woord.
Soorten verbanden en signaalwoorden:
- Tegenstellend verband } maar, daarentegen, echter, toch, terwijl…..
- Opsommend verband } en, ook, bovendien, verder, nog, daarnaast…..
- Oorzakelijk verband } doordat, daardoor, zodat, waardoor, hierdoor, vanwege…..
- Redengevend verband } omdat, want, daarom, namelijk, vanwege…..
- Uitleggend verband } zo, bijvoorbeeld, dat wil zeggen, met andere woorden…..
- Concluderend verband } dus, concluderend, derhalve, hieruit volgt…..
- Samenvattend verband } kortom, samenvattend, alles bij mekaar, al met al…..
- Voorwaardelijk verband } als, indien, mits, tenzij, wanneer, in het geval dat…..
- Vergelijkend verband } zoals, net als, evenals, hetzelfde, als, vergelijk…..
- Doel-middel } opdat, daartoe, door middel van, met het oog op, om te…..
- Chronologisch verband } vroeger, nu, later, eerst, nadat, terwijl, daarna, inmiddels
Verbindingswoorden gebruiken:
- Met verbindingswoorden maak je duidelijk hoe de verschillende delen van je tekst
met elkaar samenhangen.
- voorbeelden: het, als, bovendien, er, dat…..