Ontwikkelingspsychologie lagerschoolkind & adolescent
Lagere schoolkind (6 – 12 jaar)
o Onderwijs neemt een belangrijke plaats in
o Hobby’s worden belangrijker
De lichamelijke ontwikkeling
o Hersenen
Myelinisatie gaat sneller
Informatieverwerkingscapaciteit stijgt
Frontale lobben ontwikkelen waardoor het inhibitorisch vermogen
ontwikkeld wordt = vermogen om interne en externe afgeleide
stimuli te controleren
Bv. Bij het winkelen negeert men alle externe factoren (alle andere
winkels) en interne factoren (honger) maar gaat men recht op 1
winkel af. Men inhibeert deze andere stimuli.
Verbetering korte termijn geheugen
Lager schoolkind onthoudt gemiddeld 7 items, kan vergroot
worden door chunking: informatie dat tijdelijk moet
worden opgeslagen gaan bewerken, groeperen,
structureren zodat de geheugencapaciteit vergroot.
Metageheugen:
Men heeft besef van processen van het geheugen: men
weet wat het geheugen is; men weet dat sommigen een
beter geheugen hebben
Geheugenstrategieën:
Doelbewuste gebruikte tactieken om de cognitieve
verwerking te verbeteren
o Herhalen
o Ordenen
o Sleutelwoordstrategieën: 2 reeksen woorden aan
elkaar koppelen vooral bij leren van een vreemde
taal in langere school
o Elaboratie: koppeling van mentale beelden aan de
informatie die je wilt herinneren
o Lichaamsidee
Evaluatieve beeld dat men heeft van het lichaam
Lichaamsplan
o Geheel van de geautomatiseerde sensorische
schema’s waarover iemand op een bepaald moment
beschikt
Lichaamsbesef
, o Bewustzijn van bewegingen en stand van
lichaam(sdelen) in de ruimte en van zijn motorische
mogelijkheden en tekorten
De motorische ontwikkeling
o Grove motoriek
Vooruitgang op vier domeinen
Snelheid en behendigheid
Evenwichtsbeheersing
Elasticiteit of buigzaamheid van het lichaam
Krachtige bewegen
o Fijne motoriek
Betere coördinatie
Grotere precisie
Verfijnde oog-hand-coördinatie
Schrijven = goed & netjes kunnen schrijven
Tekeningen: meer realiteitsgetrouw
De emotionele ontwikkeling
o Sterk verweven met de sociale ontwikkeling
Een kind kan vertellen hoe het zich voelt
Een kind kent zichzelf goed (wat maakt mij blij/boos?) kan zich
goed inleven in anderen en kan goed samenwerken
Goede zelfbeheersing, goed kunnen luisteren,
doorzettingsvermogen en het kunnen oppikken van ongeschreven
regels.
De sociale ontwikkeling
o Vriendschappen
Het opzoeken van gelijkgezinden
“mooi weer relaties”
Gezellig, samen leuke tijd, zelfde interesses
“vrienden heb je omdat je leuk gevonden wil worden”
Belangen zijn wederzijds
Beide partijen moeten geheimen kunnen bewaren
Ruzies worden bijgelegd door oprecht gemeende excuses
ten aanzien van de daad als wel ten aanzien van het motief.
o Vriendenkring
Informele speelgroepen (6 – 8 jaar)
Ontstaan en verdwijnen afhankelijk van de
omstandigheden
Weinig of geen regels
Geen vast lidmaatschap
Duidelijkere structuur en organisatie (10 -11 jaar)
Organiseren zich rond gedeelde interesses
Selectieve toetreding
Lagere schoolkind (6 – 12 jaar)
o Onderwijs neemt een belangrijke plaats in
o Hobby’s worden belangrijker
De lichamelijke ontwikkeling
o Hersenen
Myelinisatie gaat sneller
Informatieverwerkingscapaciteit stijgt
Frontale lobben ontwikkelen waardoor het inhibitorisch vermogen
ontwikkeld wordt = vermogen om interne en externe afgeleide
stimuli te controleren
Bv. Bij het winkelen negeert men alle externe factoren (alle andere
winkels) en interne factoren (honger) maar gaat men recht op 1
winkel af. Men inhibeert deze andere stimuli.
Verbetering korte termijn geheugen
Lager schoolkind onthoudt gemiddeld 7 items, kan vergroot
worden door chunking: informatie dat tijdelijk moet
worden opgeslagen gaan bewerken, groeperen,
structureren zodat de geheugencapaciteit vergroot.
Metageheugen:
Men heeft besef van processen van het geheugen: men
weet wat het geheugen is; men weet dat sommigen een
beter geheugen hebben
Geheugenstrategieën:
Doelbewuste gebruikte tactieken om de cognitieve
verwerking te verbeteren
o Herhalen
o Ordenen
o Sleutelwoordstrategieën: 2 reeksen woorden aan
elkaar koppelen vooral bij leren van een vreemde
taal in langere school
o Elaboratie: koppeling van mentale beelden aan de
informatie die je wilt herinneren
o Lichaamsidee
Evaluatieve beeld dat men heeft van het lichaam
Lichaamsplan
o Geheel van de geautomatiseerde sensorische
schema’s waarover iemand op een bepaald moment
beschikt
Lichaamsbesef
, o Bewustzijn van bewegingen en stand van
lichaam(sdelen) in de ruimte en van zijn motorische
mogelijkheden en tekorten
De motorische ontwikkeling
o Grove motoriek
Vooruitgang op vier domeinen
Snelheid en behendigheid
Evenwichtsbeheersing
Elasticiteit of buigzaamheid van het lichaam
Krachtige bewegen
o Fijne motoriek
Betere coördinatie
Grotere precisie
Verfijnde oog-hand-coördinatie
Schrijven = goed & netjes kunnen schrijven
Tekeningen: meer realiteitsgetrouw
De emotionele ontwikkeling
o Sterk verweven met de sociale ontwikkeling
Een kind kan vertellen hoe het zich voelt
Een kind kent zichzelf goed (wat maakt mij blij/boos?) kan zich
goed inleven in anderen en kan goed samenwerken
Goede zelfbeheersing, goed kunnen luisteren,
doorzettingsvermogen en het kunnen oppikken van ongeschreven
regels.
De sociale ontwikkeling
o Vriendschappen
Het opzoeken van gelijkgezinden
“mooi weer relaties”
Gezellig, samen leuke tijd, zelfde interesses
“vrienden heb je omdat je leuk gevonden wil worden”
Belangen zijn wederzijds
Beide partijen moeten geheimen kunnen bewaren
Ruzies worden bijgelegd door oprecht gemeende excuses
ten aanzien van de daad als wel ten aanzien van het motief.
o Vriendenkring
Informele speelgroepen (6 – 8 jaar)
Ontstaan en verdwijnen afhankelijk van de
omstandigheden
Weinig of geen regels
Geen vast lidmaatschap
Duidelijkere structuur en organisatie (10 -11 jaar)
Organiseren zich rond gedeelde interesses
Selectieve toetreding