Natuurkunde Samenvatting H6
Paragraaf 6,1:
Primair Licht = licht dat afkomstig is van een lichtbron, zoals een lamp of de zon of een vlam.
Secundair Licht = licht dat afkomstig is van een voorwerp dat licht reflecteert, zoals de maan
of een reflector.
Eigenschappen van Licht:
1. Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300.000 km/s.
2. Kleur; je hersenen kennen aan verschillende soorten licht een bepaalde kleur toe.
3. De stralengang is omkeerbaar; als een lichtstraal van A naar B gaat, is er ook een
lichtstraal mogelijk van B naar A.
Diffuus = als licht alle kanten op weerkaatst. (B)
Spiegelend = als licht 1 kant op weerkaatst. (A)
Splitslichtjes = zijn glinsteringen, weerspiegeling van een lichtbron.
Vergrotingsfactor = geeft aan hoeveel keer groter het beeld is dan het voorwerp.
In een vlakke spiegel is de vergrotingsfactor altijd 1.
In een bolle spiegel is de vergrotingsfactor kleiner dan 1, want het beeld is kleiner dan het
voorwerp.
In een holle spiegel is de vergrotingsfactor groter dan 1, want het beeld is groter dan het
voorwerp.
Bolle spiegel = verkleining
Holle spiegel = vergroting
De normaal = de hulplijn die loodrecht op het oppervlak staat.
Hoek van inval = hoek van terugkaatsing
Li = Lt
Alles achter de spiegel teken je met een
stippellijn!!!
Blz. 177 en 178 + aantekeningen.
Paragraaf 6,1:
Primair Licht = licht dat afkomstig is van een lichtbron, zoals een lamp of de zon of een vlam.
Secundair Licht = licht dat afkomstig is van een voorwerp dat licht reflecteert, zoals de maan
of een reflector.
Eigenschappen van Licht:
1. Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300.000 km/s.
2. Kleur; je hersenen kennen aan verschillende soorten licht een bepaalde kleur toe.
3. De stralengang is omkeerbaar; als een lichtstraal van A naar B gaat, is er ook een
lichtstraal mogelijk van B naar A.
Diffuus = als licht alle kanten op weerkaatst. (B)
Spiegelend = als licht 1 kant op weerkaatst. (A)
Splitslichtjes = zijn glinsteringen, weerspiegeling van een lichtbron.
Vergrotingsfactor = geeft aan hoeveel keer groter het beeld is dan het voorwerp.
In een vlakke spiegel is de vergrotingsfactor altijd 1.
In een bolle spiegel is de vergrotingsfactor kleiner dan 1, want het beeld is kleiner dan het
voorwerp.
In een holle spiegel is de vergrotingsfactor groter dan 1, want het beeld is groter dan het
voorwerp.
Bolle spiegel = verkleining
Holle spiegel = vergroting
De normaal = de hulplijn die loodrecht op het oppervlak staat.
Hoek van inval = hoek van terugkaatsing
Li = Lt
Alles achter de spiegel teken je met een
stippellijn!!!
Blz. 177 en 178 + aantekeningen.