1 Wat is het doel van hechtingsgedrag van het kind tijdens de vroege kindertijd?
a Het verwerven van exploratie.
b Het verwerven van onafhankelijkheid.
c Het verkrijgen van veiligheid.
2 Wanneer vinden de hechtingsprocessen bij mensen plaats?
a Tijdens een relatief korte, kritische periode na de geboorte.
b Tijdens de eerste twee levensjaren.
c Tijdens het gehele leven.
3 Wat is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van (veilige) gehechtheid?
a De voorspelbaarheid van elkaars gedrag.
b Het temperament van het kind.
c Het gunstige verloop van de bevalling.
4 Wat is een intern werkmodel?
a Opvattingen (cognities) over gehechtheid.
b De aanpak van een kind om gehechtheid tot stand te brengen.
c De concrete ervaringen die iemand heeft gehad bij het totstandkomen van zijn
gehechtheidsrelatie.
5 Hoeveel exploratie vertonen vermijdend gehechte kinderen als hun verzorger
terugkeert tijdens de vreemde-situatieprocedure?
a Zij vertonen de normale hoeveelheid exploratie.
b Zij vertonen te veel exploratie.
c Zij vertonen te weinig exploratie.
6 Welke van de onderstaande uitspraken is juist?
a Onveilige gehechtheid komt alleen voor bij kinderen en niet bij volwassenen.
b Onveilige gehechtheid is een ontwikkelingsstoornis.
c Onveilige gehechtheid is een risicofactor voor andere stoornissen.