100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting AE (jaar 3 FC/AC)

Rating
-
Sold
1
Pages
38
Uploaded on
27-10-2021
Written in
2020/2021

Samenvatting met voorbeelden, tentamenvragen en belangrijkste stof compact

Institution
Course

Content preview

AE/ TREASURY
WEEK 1 | HOOFDSTUK 1: AANBOD VAN GELD
Inflatie = geldontwaarding  stijging algemeen prijspeil
 Voordeel: lenen wordt goedkoper (in koopkracht)  minder terug te betalen
 Prijzen stijgen  minder kopen
 ECB wil inflatie beperken tot 2%  beste voor de economie omdat mensen blijven uitgeven
 Mensen sparen minder  later kan je er minder voor halen
 Duurdere producten  slechte internationale concurrentiepositie

Soorten inflaties
 Kosteninflatie.
o Stijging productiekosten  kosten doorberekenen naar consument indien winst op
peil willen houden
Loonkosteninflatie
 Bestedingsinflatie
o Sterke toename bestedingen  vraag > aanbod  prijzen verhogen om de vraag te
remmen
Overbesteding, maximale productiecapaciteit is benut en de vraag stijgt nog steeds, dus wat
doen producenten…
 Monetaire inflatie
Geldhoeveelheid groeit harder dan economische productie (verkeersvergelijking Fisher)

Deflatie = Negatieve inflatie  producten worden steeds goedkoper
Nadelig voor economie want mensen gaan uitstellen met aankopen omdat ze denken dat het in de
toekomst nog goedkoper wordt.

Hyperinflatie = het gemeten betaal je steeds minder en stimuleert consumptie (volgend jaar is alles
weer duurder) Geld is minder waard dan bijvoorbeeld behang/ wc-papier.

Bestedings- en monetaire inflatie zijn twee kanten van dezelfde ‘medaille’
 Bestedingsinflatie via de vraagkant en monetaire inflatie via de aanbodkant. Uiteindelijk is de ruime
beschikbaarheid van geld (bank laten de geldpers draaien) de aanzet voor consumenten om meer te
spenderen (rente op spaargeld is laag en rente op lening is goedkoop)

Functies Kenmerken Gevolgen van hoge inflatie
Ruilmiddelfunctie Ongedifferentieerde koopkracht (splitst ruil Terug naar goederenruil
op in twee delen) Andere valuta neemt
Tijdverschil tussen verkoop en aankoop ruilmiddelfunctie over
(dollarisering)
Rekeneenheid Waardemaatstaf (vermindering van aantal Prijzen gelden slechts voor een
ruilvoeten) korte termijn
Oppotmiddel Vermogensbestanddeel (zuiver liquide; Kasgeld als
geen rendement) vermogensbestanddeel
vermindert snel in waarde

De tijd en moeite om te ruilen zijn kosten en de kosten van het ruilproces noemt men
transactiekosten

Bedreigingen voor geld
 Betrouwbaarheid van het financieel systeem  solide banken
 Beschikbaarheid en toegankelijkheid  goed betalingsverkeer
 Waardevastheid t.o.v. buitenlands geld  stabiele wisselkoersen met het buitenland
 Binnenlandse waardevastheid  inflatie knaagt aan de koopkracht van het geld

Bankbiljetten:
 Betreft fiduciair geld (= dat zijn waarde niet ontleent aan de materie waaruit het gemaakt is,
maar aan het vertrouwen dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden)

,VOORBEELD: Geldschepping door een commerciële bank




Geldschepping via wederzijdse schuldaanvaarding gaat in de praktijk als volgt in zijn werk: een bank
verstrekt een krediet van zeg 10.000 euro en maakt dit uitgeleende bedrag over aan haar klant. Op de
balans van de bank wordt aan de actiefzijde (bezitting van de bank, verplichting van haar klant) het
krediet van 10.000 euro geboekt. Het door de bank uitgeleende bedrag wordt bijgeschreven op de
rekening van de klant (dat is dus vanuit de bank gezien een verplichting). De balans van de bank is
door deze transactie met 10.000 euro gegroeid. De geldhoeveelheid is met 10.000 euro aan giraal
geld toegenomen, evenals de uitstaande hoeveelheid krediet. Dit alles staat geïllustreerd in figuur 4.

Liquiditeitenmassa
- Belangrijk om de hoeveelheid geld in omloop in de gaten te houden (=liquiditeitenmassa)
- ECB meet dit regelmatig door naar de balansen van de geldscheppende banken te kijken
- Primaire liquiditeitenmassa (M1)/ (M)
o Onmiddellijk opvraagbaar
o Primaire liquiditeiten -/- kasmiddelen bank
o Maatschappelijk geld hoeveelheid  chartaal en giraal geld
o Geld dat direct gebruikt wordt om goederen te kopen
 Meer liquiditeit  meer uitgaven  besteding > capaciteit  toename inflatie
- Secundaire liquiditeitenmassa
o Looptijd <2 jaar
o Geld dat niet direct uitgegeven kan worden
o Makkelijk geld opnemen. Spaargeld opnemen.
- Optelsom van beide is de binnenlandse liquiditeitenmassa (M3)

Primaire liquiditeitenmassa (M1)
Instelling Geldsoort Enkele begrippen van toepassing op de geldsoorten
Overheid Munten Nominale waarde: vermeld op het geld
Intrinsieke waarde: marktwaarde van het materiaal
Centrale bank Bankbiljetten Fiduciair geld: waarde gebaseerd op vertrouwen in de balans
van de geldscheppende instelling

, Banken Giraal geld Betaalinstrument: o.a. plastic geld, cheque

Samenhang primaire- en secundaire liquiditeiten




Deposito = niet aan dat geld komt

Geldscheppend: Algemene banken, centrale bank
Niet-geldscheppend: Hypotheekbanken, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen,
beleggingsmaatschappijen en sociale fondsen

Primaire liquiditeiten
- De munten die door de overheid in omloop zijn gebracht
- De bankbiljetten die door de centrale bank in omloop zijn gebracht
- Het girale geld dat de bank in ombrengen

Ongedifferentieerde koopkracht (ruilmiddelfunctie)
Als iemand goederen ruilt voor geld kan hij in principe een keuze maken uit alle goederen die voor
geld te koop zijn.

Waardemaatstaf (rekeneenheid functie)
Geld is een maatstaf waarin mensen de waarde van goederen en diensten uitdrukken. Ook is het
transparanter omdat de prijzen in dezelfde eenheid zijn uitgedrukt

Geldstelsel in de Europese Unie
 EU-landen nemen deel aan de EMU (Economisch Monetaire Unie)
o Gemeenschappelijk geldstelsel
o Oprichting heeft de ruilmiddelfunctie van geld versterkt
o Geen valutarisico: Er is geen onzekerheid meer over de onderlinge waarde van de
wisselkoersen van de valuta’s.

Verschil primaire liquiditeiten en primaire liquiditeitenmassa
De primaire liquiditeitenmassa is het geld in handen van het publiek. De ECB kan dat uit de balansen
van geldscheppende instellingen zien door de hoeveelheid primaire liquiditeiten te verminderen met
het geld dat zich in de kassen van de geldscheppende instellingen bevindt.

Secundaire liquiditeitenmassa
 Ontstaat doordat bedrijven en gezinnen soms liquide middel over hebben
 Bestaat uit vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen die het publiek op
korte termijn, massaal en zonder koersverlies kunnen omzetten in geld
 Primaire liquiditeitenmassa + secundaire liquiditeiten massa = M3

M3 (of te wel Binnenlandse liquiditeitenmassa). Kort spaargeld, secundaire liquiditeitenmassa,
termijndeposito’s
 De centrale bank beschouwt de overmatige groei van de binnenlandse liquiditeitenmassa
(M3) als oorzaak van inflatie.
 De ECB meet M3 en de groei ervan om te bepalen of er aanleiding bestaat maatregelen te
nemen

, Berekenen M3
 Taak centrale bank

M1 berekenen:
Bankbiljetten in omloop +
Crediteuren in rekening-courant +
Munten +
Primaire liquiditeiten =
Kasmiddelen van de bank -/-
Primaire liquiditeitenmassa (M1) =

Secundaire liquiditeitenmassa berekenen:
Termijndeposito’s +
Kort spaargeld +
Secundaire liquiditeitenmassa =

Bruto geldscheppend bedrijf omvat de totale kredietverlening aan de private sector en de overheid
 Banken financieren een deel van de kredietverlening met middelen die zij voor een termijn
langer dan twee jaar van het publiek aantrekken

Netto geldscheppend bedrijf = Bruto geldscheppend bedrijf -/- Lange aangetrokken middelen

WEEK 2 | HOOFDSTUK 5: BANKKREDIET EN KREDIETRISICO
Toegang tot vreemd vermogen
 Agency-probleem

Bestuurder Aandeelhouder
 Toekomstinfo Risico inschatten
 Ethiek
(eigenbelang,dividend-
uitkering) Concurrent
 Vrijheid van handelen
 Verantwoording



 Informatieasymmetrie
Het Agency-Probleem:= Informatieasymmetrie
partijen zijn niet in bezit in
van dezelfde
beeld informatie
gebracht.

Toezicht op het bankwezen
 AFM  Gedragstoezicht
 DNB/ECB  Prudentieel toezicht
o Bedrijfseconomisch toezicht  gericht op vertrouwensaspect
o Solvabiliteit  Basel II
o Solvabiliteit + liquiditeit  Basel III
 ECB  monetair toezicht

Waarom hebben banken zo’n laag eigen vermogen?
 Het past in het businessmodel dat banken met relatief veel vreemd vermogen werken
 Bank eist zekerheden en kan kredietrisico goed inschatten
 Vreemd vermogen biedt flexibiliteit en rente is fiscaal aftrekbaar
 Banken hebben liquide activa
 Uitstekende toegang tot financiële markten
 Aanwezigheid van (deposito-) garantiestelsel

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
October 27, 2021
Number of pages
38
Written in
2020/2021
Type
SUMMARY

Subjects

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
anoukhgs Fontys Hogeschool
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
10
Member since
8 year
Number of followers
11
Documents
22
Last sold
3 year ago

3.6

5 reviews

5
2
4
1
3
1
2
0
1
1

Trending documents

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions