Samenvatting onderwijskunde periode 1-2020
Esmee Kliffen
NEN-V1a
Inhoudsopgave
Wat zijn de verschillende beroepscontexten, bekwaamheidseisen en concerns van een docent? Hoe herken
je deze in de praktijk?.................................................................................................................................... 3
Wat zijn de kenmerken van leiderschap bij een docent? Hoe herken je deze in de praktijk?............................3
Wat is het belang van empathie en ‘echte ontmoeting’ voor het leren van leerlingen/studenten? Hoe herken
je dit in de praktijk?....................................................................................................................................... 3
Wat zijn de kenmerken, kerngedachten en werkwijzen van de volgende reflectiemodellen? Spiraalmodel van
Korthagen, 360 graden feedback en de incidentenmethode...........................................................................4
Wat is het belang van de cirkel van betrokkenheid, invloed en commitment (Covey 1989)?............................4
Wat is het verschil tussen feed-up, feedback en feed forward? Hoe herken je dit in de praktijk?....................5
Wat zijn de doelstellingen van een school?.................................................................................................... 5
Hoe is het Nederlands Onderwijsstelsel opgebouwd?.....................................................................................5
De student kan de inrichting van het vmbo uitleggen aan de hand van de kernbegrippen leerwegen, lwoo,
leerroutes, profielen, vrije deel.......................................................................................................................6
De student kan de inrichting van het havo- en vwo-onderwijs uitleggen aan de hand van de
kernbegrippen profielkeuze, onderbouw, bovenbouw..................................................................................6
De student kan de inrichting van het MBO uitleggen aan de hand van de volgende kernbegrippen:
volwasseneducatie, basisdelen, profiel- en keuzedelen, kwalificatiedossier, vijf niveaus, bbl, bol,
burgerschapsvorming......................................................................................................................................7
Wat zijn verschillende onderwijsconcepten binnen scholen?..........................................................................8
Hoe kan de leerling/student een startkwalificatie behalen?.........................................................................10
Wat is de rol van een docent in het mbo?..................................................................................................... 10
Hoe werkt het model van Leary/de roos van Leary? Leg dit uit aan de hand van de twee dimensies en acht
octanten. Hoe kan dit worden toegepast op de praktijkcasuïstiek?...............................................................10
Wat is het verschil tussen het inhoudelijk aspect binnen communicatie en de boodschap op het
betrekkingsniveau?...................................................................................................................................... 11
Wat is het doel van observeren in het onderwijs?........................................................................................11
Waarom is belonen beter dan straffen?....................................................................................................... 11
Waaruit blijkt de motivatie van leerlingen?..................................................................................................11
Welke verschillende motivatietheorieën zijn er?.......................................................................................... 12
Piramide van Maslow....................................................................................................................................12
Verwachtingstheorie.....................................................................................................................................12
Mindset..........................................................................................................................................................13
Attributietheorie............................................................................................................................................13
1
, Flowtheorie....................................................................................................................................................13
Zelfdeterminatietheorie................................................................................................................................14
Wat betekenen de begrippen intrinsieke motivatie, extrinsieke motivatie, persoonlijk belang, interne
verplichting en externe verplichting?........................................................................................................... 14
Wat zijn de oorzaken van verschil in motivatie bij leerlingen?......................................................................15
Wat houdt autonomie in? Hoe herken je dit in de zelfdeterminatietheorie?.................................................15
Wat houdt competentie in? Wanneer ben je competent?.............................................................................16
Hoe kun je als docent het competentiegevoel van leerlingen vergroten?......................................................16
Wat zijn de vier verschillende leeromgevingen met veel of weinig autonomieondersteuning en hoe herken je
ze in de praktijk?.......................................................................................................................................... 17
Wat houdt relatie (zelfdeterminatietheorie) in?...........................................................................................18
Wat is het verband tussen de relatie en de pedagogische tact in een praktijksituatie?..................................18
Hoe bevorder je docentgedrag in een sociale verbondenheid? Hoe zet je de pedagogische tact in?..............19
2
Esmee Kliffen
NEN-V1a
Inhoudsopgave
Wat zijn de verschillende beroepscontexten, bekwaamheidseisen en concerns van een docent? Hoe herken
je deze in de praktijk?.................................................................................................................................... 3
Wat zijn de kenmerken van leiderschap bij een docent? Hoe herken je deze in de praktijk?............................3
Wat is het belang van empathie en ‘echte ontmoeting’ voor het leren van leerlingen/studenten? Hoe herken
je dit in de praktijk?....................................................................................................................................... 3
Wat zijn de kenmerken, kerngedachten en werkwijzen van de volgende reflectiemodellen? Spiraalmodel van
Korthagen, 360 graden feedback en de incidentenmethode...........................................................................4
Wat is het belang van de cirkel van betrokkenheid, invloed en commitment (Covey 1989)?............................4
Wat is het verschil tussen feed-up, feedback en feed forward? Hoe herken je dit in de praktijk?....................5
Wat zijn de doelstellingen van een school?.................................................................................................... 5
Hoe is het Nederlands Onderwijsstelsel opgebouwd?.....................................................................................5
De student kan de inrichting van het vmbo uitleggen aan de hand van de kernbegrippen leerwegen, lwoo,
leerroutes, profielen, vrije deel.......................................................................................................................6
De student kan de inrichting van het havo- en vwo-onderwijs uitleggen aan de hand van de
kernbegrippen profielkeuze, onderbouw, bovenbouw..................................................................................6
De student kan de inrichting van het MBO uitleggen aan de hand van de volgende kernbegrippen:
volwasseneducatie, basisdelen, profiel- en keuzedelen, kwalificatiedossier, vijf niveaus, bbl, bol,
burgerschapsvorming......................................................................................................................................7
Wat zijn verschillende onderwijsconcepten binnen scholen?..........................................................................8
Hoe kan de leerling/student een startkwalificatie behalen?.........................................................................10
Wat is de rol van een docent in het mbo?..................................................................................................... 10
Hoe werkt het model van Leary/de roos van Leary? Leg dit uit aan de hand van de twee dimensies en acht
octanten. Hoe kan dit worden toegepast op de praktijkcasuïstiek?...............................................................10
Wat is het verschil tussen het inhoudelijk aspect binnen communicatie en de boodschap op het
betrekkingsniveau?...................................................................................................................................... 11
Wat is het doel van observeren in het onderwijs?........................................................................................11
Waarom is belonen beter dan straffen?....................................................................................................... 11
Waaruit blijkt de motivatie van leerlingen?..................................................................................................11
Welke verschillende motivatietheorieën zijn er?.......................................................................................... 12
Piramide van Maslow....................................................................................................................................12
Verwachtingstheorie.....................................................................................................................................12
Mindset..........................................................................................................................................................13
Attributietheorie............................................................................................................................................13
1
, Flowtheorie....................................................................................................................................................13
Zelfdeterminatietheorie................................................................................................................................14
Wat betekenen de begrippen intrinsieke motivatie, extrinsieke motivatie, persoonlijk belang, interne
verplichting en externe verplichting?........................................................................................................... 14
Wat zijn de oorzaken van verschil in motivatie bij leerlingen?......................................................................15
Wat houdt autonomie in? Hoe herken je dit in de zelfdeterminatietheorie?.................................................15
Wat houdt competentie in? Wanneer ben je competent?.............................................................................16
Hoe kun je als docent het competentiegevoel van leerlingen vergroten?......................................................16
Wat zijn de vier verschillende leeromgevingen met veel of weinig autonomieondersteuning en hoe herken je
ze in de praktijk?.......................................................................................................................................... 17
Wat houdt relatie (zelfdeterminatietheorie) in?...........................................................................................18
Wat is het verband tussen de relatie en de pedagogische tact in een praktijksituatie?..................................18
Hoe bevorder je docentgedrag in een sociale verbondenheid? Hoe zet je de pedagogische tact in?..............19
2