MUSIC INDUSTRY AANTEKENINGEN:
PERIODE 1: LES 1:
Er was eens:
De minstreel: om dorpen nieuws te brengen op een entertainment manier (muziek)
- Deze vormde later soms bandjes, maar samenspelen was vaak lastig
Partituren: muziekblad
- Kerken en monniken konden in die tijd als enige schrijven dus die maakte de partituren.
Bandjes: (vanaf partituren bestonden):
- Groter (orkest)
Marco polo – 1271 – 1295
- Hij reisde met schip rond -> hij kwam in China -> heeft een boekdrukpers uit China mee
teruggenomen -> hierdoor ging het sneller met partituren maken
Duurde 200 jaar tot componisten bedachten dat je ook alle uitgekerfde letters uit kan snijden en los
opnieuw kan gebruiken.
Toen dit eenmaal bekend was ontstonden de eerste bladmuziek uitgeverijen.
Edison: uitvinder van de fonograaf
- Fonograaf: allereerste apparaat waarbij er een geluid kon worden opgenomen en opnieuw
kon worden afgespeeld
Emile Berliner: uitvinder van grammofoon (platenspeler)
- Eerste apparaat waarbij je muziek kon afspelen zonder dat je er een live bandje voor nodig
had. (IPod van 1900)
Hierdoor ontstond de handelsmaatschappij van de muziekuitgeverij. (Voorloper van
platenmaatschappij) (gedaan stiekem door de schrijvers van de bladmuziek voor de orkesten)
Componisten en muziekuitgevers kwamen tegenover elkaar te staan.
Componisten VS. Muziekuitgevers
- Beide hadden elkaar nodig, maar muziekuitgevers kregen veel meer geld.
- Ruzie over van wie het liedje is.
, Les 2
Song/liedje heeft 2 ingrediënten:
1. Tekst (tekstschrijver)
2. Compositie (Componist)
De tekstschrijver en componist zijn de eigenaren van een liedje.
Definitie van een song:
Artistieke of literaire waarde doen er niet toe. (Het maakt niet uit hoe het klinkt of wat er in de tekst
zit)
Auteurswet 1920:
- Oorspronkelijkheid: de creatie moet eigen, persoonlijk en origineel karakter hebben. Het
moet bij wijze van spreken onmogelijk zijn dat iemand ander precies hetzelfde kon maken.
- Zintuigelijke waarneembaarheid: de creatie moet te zien, te lezen of te horen zijn, of zijn
geweest.
Songteksten, videoclips, dagboeken, schilderijen, strips, foto’s, gedichten, pantomimes
(mimespelers), choreografieën, tekeningen, romans -> horen allemaal onder die auteurswet
Auteursrechten: tekst, melodie, compositie van akkoorden.
De muziekindustrie = song x exploitatie
Geld verdienen = bezitting x uitbaten
Eigendom = auteur(s) -> muziekmaatschappij en platenmaatschappij
Muziek exploitatie is gericht op 2 delen uit het privaatrecht:
1. Intellectueel eigendom
- Auteursrecht, naburig recht
2. Contract en verbintenisrecht
- Gages voor optreden, merch, verkoop van geluidsdragers
Auteursrecht is uniek binnen wetgeving: het is een verbodsrecht
(Normaal geeft de wetgeving aan tot waar je kunt gaan. Bij de auteurswet is het juist andersom. Niks
mag tenzij er toestemming is van de auteur…)
Auteursrecht is een persoonlijk recht. De auteur blijft eigenaar van het werk tot 70 jaar na zijn/haar
overlijden. (Meerdere auteurs tellen we 70 jaar na de langst levende.)
De auteur kan een overdracht doen van de exploitatierechten op zijn werk. (Bv uitkopen)
PERIODE 1: LES 1:
Er was eens:
De minstreel: om dorpen nieuws te brengen op een entertainment manier (muziek)
- Deze vormde later soms bandjes, maar samenspelen was vaak lastig
Partituren: muziekblad
- Kerken en monniken konden in die tijd als enige schrijven dus die maakte de partituren.
Bandjes: (vanaf partituren bestonden):
- Groter (orkest)
Marco polo – 1271 – 1295
- Hij reisde met schip rond -> hij kwam in China -> heeft een boekdrukpers uit China mee
teruggenomen -> hierdoor ging het sneller met partituren maken
Duurde 200 jaar tot componisten bedachten dat je ook alle uitgekerfde letters uit kan snijden en los
opnieuw kan gebruiken.
Toen dit eenmaal bekend was ontstonden de eerste bladmuziek uitgeverijen.
Edison: uitvinder van de fonograaf
- Fonograaf: allereerste apparaat waarbij er een geluid kon worden opgenomen en opnieuw
kon worden afgespeeld
Emile Berliner: uitvinder van grammofoon (platenspeler)
- Eerste apparaat waarbij je muziek kon afspelen zonder dat je er een live bandje voor nodig
had. (IPod van 1900)
Hierdoor ontstond de handelsmaatschappij van de muziekuitgeverij. (Voorloper van
platenmaatschappij) (gedaan stiekem door de schrijvers van de bladmuziek voor de orkesten)
Componisten en muziekuitgevers kwamen tegenover elkaar te staan.
Componisten VS. Muziekuitgevers
- Beide hadden elkaar nodig, maar muziekuitgevers kregen veel meer geld.
- Ruzie over van wie het liedje is.
, Les 2
Song/liedje heeft 2 ingrediënten:
1. Tekst (tekstschrijver)
2. Compositie (Componist)
De tekstschrijver en componist zijn de eigenaren van een liedje.
Definitie van een song:
Artistieke of literaire waarde doen er niet toe. (Het maakt niet uit hoe het klinkt of wat er in de tekst
zit)
Auteurswet 1920:
- Oorspronkelijkheid: de creatie moet eigen, persoonlijk en origineel karakter hebben. Het
moet bij wijze van spreken onmogelijk zijn dat iemand ander precies hetzelfde kon maken.
- Zintuigelijke waarneembaarheid: de creatie moet te zien, te lezen of te horen zijn, of zijn
geweest.
Songteksten, videoclips, dagboeken, schilderijen, strips, foto’s, gedichten, pantomimes
(mimespelers), choreografieën, tekeningen, romans -> horen allemaal onder die auteurswet
Auteursrechten: tekst, melodie, compositie van akkoorden.
De muziekindustrie = song x exploitatie
Geld verdienen = bezitting x uitbaten
Eigendom = auteur(s) -> muziekmaatschappij en platenmaatschappij
Muziek exploitatie is gericht op 2 delen uit het privaatrecht:
1. Intellectueel eigendom
- Auteursrecht, naburig recht
2. Contract en verbintenisrecht
- Gages voor optreden, merch, verkoop van geluidsdragers
Auteursrecht is uniek binnen wetgeving: het is een verbodsrecht
(Normaal geeft de wetgeving aan tot waar je kunt gaan. Bij de auteurswet is het juist andersom. Niks
mag tenzij er toestemming is van de auteur…)
Auteursrecht is een persoonlijk recht. De auteur blijft eigenaar van het werk tot 70 jaar na zijn/haar
overlijden. (Meerdere auteurs tellen we 70 jaar na de langst levende.)
De auteur kan een overdracht doen van de exploitatierechten op zijn werk. (Bv uitkopen)