Samenvatting MK 1.4 hormoonstelsel + zenuwstelsel
Les 1:
1. De functie bij de homeostase van communicatie tussen cellen verklaren en de aanvullende
functies van het endocriene stelsel en het zenuwstelsel beschrijven.
Stelsel betrokken bij communicatie:
- Zenuwstelsel = snel en kort – signaalstoffen: neurotransmitters
- Endocriene stelsel = trager en langdurig – signaalstoffen: hormonen
Elk hormoon/neurotransmitter heeft eigen doelcel
Werking zenuwstelsel:
- Specifieke berichten worden in het lichaam overgebracht
- De bron en bestemming zijn heel specifiek + effect is van korte duur
- Tijdens crisis is communicatie ideaal
Werking hormonale stelsel:
- Gebruikt chemische signaalstoffen/hormonen om informatie onderling door te geven
- Elk hormoon heeft specifieke doelcel met receptor
- Cellen in hele lichaam worden aan hormonen blootgesteld, ongeacht of ze noodzakelijke
receptor hebben
Overeenkomsten hormonale stelsel/zenuwstelsel:
1. Homeostase handhaven
2. Afgeven van signaalstoffen voor specifieke receptoren op doelcellen
3. Gezamenlijke chemische signaalstoffen
4. Negatieve terugkoppeling
Sommige stoffen zijn zowel neurotransmitter als hormoon, vb: adrenaline
- afgegeven door bijnieren = hormoon
- afgegeven door hersenen = neurotransmitter
2. De belangrijkste groepen hormonen noemen en de algemene mechanismen van de werking van
hormonen op doelorganen verklaren.
- Endocriene cellen: geven klierproducten af aan extracellulaire vloeistof (blijft in lichaam)
- Exocriene cellen: geven klierproducten af aan epitheeloppervlak (naar buiten)
- Hormonen: chemische signaalstoffen die via bloedstroom naar doelcellen worden vervoerd
Belangrijke groepen hormonen:
- Aminozuurderivaten:
o Kleine moleculen die lijken op aminozuren
o VB: adrenaline, noradrenaline, schildklierhormonen
- Peptidehormonen:
o Ketens van aminozuren – van korte peptideketens tot kleine eiwitten
o VB: ADH, oxytocine (kleinere ketens), groeihormonen, prolactine (langere ketens)
- Vetderivaten:
o VB: steroïden, eicosanoïden
Werkingsmechanisme hormonen:
- Hormonen wijzigen het functioneren van cellen
, - Als de doelcel een specifieke receptor voor een hormoon heeft is deze cel gevoelig voor dit
hormoon – kan dus ook alleen reageren als de cel deze receptor heeft
- Het werkingsmechanisme van een hormoon wordt bepaald door de ligging van de receptor –
op het plasmamembraan of in de cel
Afgifte en transport van hormonen
- Worden afgegeven in bloed – vaak op plekken waar veel capillairen/haarvaten zitten voor
snelle opname
- Hormonen circuleren vrij in het bloed of binden aan transporteiwitten
o Vrij circulerende hormonen blijft kort functioneel – worden geactiveerd als:
Ze de bloedstroom uit diffunderen + zich aan receptor binden
Door nieren/lever worden geabsorbeerd/afgebroken
Door enzymen in bloedplasma/interstitiële vloeistof worden afgebroken
o Steroïdhormonen + schildklierhormonen blijven langer in bloed omdat deze binden
aan transporteiwitten
- Voor elk hormoon ontstaat een evenwichtsreactie tussen het eiwitgebonden hormoon en
het hormoon dat in vrije toestand aanwezig is – als vrije hormonen worden afgebroken,
worden deze vervangen door een eiwitgebonden hormoon dat vrijkomt
Regulatie hormonale activiteit
- Grotendeels gereguleerd via negatieve terugkoppeling
- Aangestuurd door:
o verandering van de samenstelling van extracellulaire vloeistof
o verandering in de concentraties van hormonen in het bloed
o een neurale prikkel: wanneer een neurotransmitter aankomt bij een verbinding
tussen zenuw en een klier
3. De ligging, de hormonen, functies en aandoeningen van de hypofyse beschrijven.
Hormonale stelsel aangestuurd door de hypothalamus + hypofyse, gereguleerd door negatieve
terugkoppeling:
- Hypothalamus:
o maakt zelf hormonen aan
o geeft ook signaalstoffen af die hypofyse aanzetten tot aansturen van
hormonaalklieren
- Hypofyse bestaat uit:
o hypofysevoorkwab – adenohypofyse
kan zelf hormonen aanmaken – 7 hormonen
o hypofyseachterkwab – neurohypofyse
Geeft hormonen af die in hypothalamus worden gevormd - zenuwen die in
hypothalamus zitten komen aan in hypofyseachterkwab
Hypofysevoorkwab kan wel zelf hormonen aanmaken, hypofyseachterkwab kan enkel hormonen van
hypothalamus “doorgeven”/afgeven
In totaal geeft hypofyse 9 verschillende hormonen af:
- Hypofysevoorkwab:
o ACTH: adrenocorticotroop hormoon – heeft effect op bijnierschors
o TSH: thyroidstimulerendhormoon – schildklier
o GH: groeihormoon – effect op alle weefsels/cellen, skelet en kraakbeencellen extra
gevoelig
o PRL: prolactine – melkklieren, van belang bij geven van borstvoeding
, o FSH: follikelstimulerend hormoon – effect op ovaria/testes
o LH: lutiniserend hormoon – effect op ovaria/testes, rijping spermacellen + stimuleert
eisprong
- Hypoefyseachterkwab:
o ADH: stimuleert meer wateropname in de nieren
o Oxytocine: stimuleert weeën + samentrekken melkklieren. Bij mannen effect op
zaadleider + prostaatklier
o Beide hormonen gemaakt in hypothalamus – afgegeven aan hypofyseachterkwab via
zenuwcellen. Vervolgens door hypofyseachterkwab afgegeven aan lichaam
Regulering afgifte hormonen:
Hypothalamus is hoogste regelorgaan – stuurt gehele endocriene stelsel aan
Kan ook regulerende hormonen afgeven, sturen hypofyse aan voor aansturen andere hormoonklier
Diabetes insipidus
- Ontstaat wanneer de hypofyseachterkwab niet langer voldoende ADH afgeeft wanneer de
nieren niet op ADH reageren.
- In de nieren wordt onvoldoende water geabsorbeerd en er gaan een enorme hoeveelheid
water met de urine verloren
- Hierdoor heeft de patiënt voortdurend dorst (= polydipsie) maar opgenomen stoffen worden
niet door het lichaam vastgehouden.
4. De ligging, de hormonen, functies en aandoeningen van de schildklier beschrijven.
Ligging schildklier:
- Onder het strottenhoofd
- Voor de luchtpijp, onder het schildkraakbeen
Twee kwabben van het schildklierweefsel zijn verbonden door het isthmus – smalle brug van
schildklierweefsel
Functies schildklier:
Verschillende cellen/delen in de schildklier hebben verschillende functies:
- Schildklierfollikels:
o Bolvormige, holle structuren, bevinden zich in grote aantallen in de schildklier
o Epitheelcellen van follikels vormen:
Thyroxine – T4
Tri-joodthyronine – T3
o Stimuleren eiwitsynthese (stofwisseling) en verhogen zuurstofconsumptie
- C-cellen:
o Bevinden zich tussen follikelcellen
o Produceren calcitocine – CT -> reguleert concentratie calciumionen
Aandoeningen schildklier:
Meest voorkomende aandoeningen zijn:
- Hypothyreoïdie: Te weinig schildklierhormoon
o Symptomen:
Traagheid, gewichtstoename, vermoeidheid
Opgeblazen gezicht, opgezette oogleden, haaruitval
Struma, stermverandering
Bradycardie
o Oorzaken:
Les 1:
1. De functie bij de homeostase van communicatie tussen cellen verklaren en de aanvullende
functies van het endocriene stelsel en het zenuwstelsel beschrijven.
Stelsel betrokken bij communicatie:
- Zenuwstelsel = snel en kort – signaalstoffen: neurotransmitters
- Endocriene stelsel = trager en langdurig – signaalstoffen: hormonen
Elk hormoon/neurotransmitter heeft eigen doelcel
Werking zenuwstelsel:
- Specifieke berichten worden in het lichaam overgebracht
- De bron en bestemming zijn heel specifiek + effect is van korte duur
- Tijdens crisis is communicatie ideaal
Werking hormonale stelsel:
- Gebruikt chemische signaalstoffen/hormonen om informatie onderling door te geven
- Elk hormoon heeft specifieke doelcel met receptor
- Cellen in hele lichaam worden aan hormonen blootgesteld, ongeacht of ze noodzakelijke
receptor hebben
Overeenkomsten hormonale stelsel/zenuwstelsel:
1. Homeostase handhaven
2. Afgeven van signaalstoffen voor specifieke receptoren op doelcellen
3. Gezamenlijke chemische signaalstoffen
4. Negatieve terugkoppeling
Sommige stoffen zijn zowel neurotransmitter als hormoon, vb: adrenaline
- afgegeven door bijnieren = hormoon
- afgegeven door hersenen = neurotransmitter
2. De belangrijkste groepen hormonen noemen en de algemene mechanismen van de werking van
hormonen op doelorganen verklaren.
- Endocriene cellen: geven klierproducten af aan extracellulaire vloeistof (blijft in lichaam)
- Exocriene cellen: geven klierproducten af aan epitheeloppervlak (naar buiten)
- Hormonen: chemische signaalstoffen die via bloedstroom naar doelcellen worden vervoerd
Belangrijke groepen hormonen:
- Aminozuurderivaten:
o Kleine moleculen die lijken op aminozuren
o VB: adrenaline, noradrenaline, schildklierhormonen
- Peptidehormonen:
o Ketens van aminozuren – van korte peptideketens tot kleine eiwitten
o VB: ADH, oxytocine (kleinere ketens), groeihormonen, prolactine (langere ketens)
- Vetderivaten:
o VB: steroïden, eicosanoïden
Werkingsmechanisme hormonen:
- Hormonen wijzigen het functioneren van cellen
, - Als de doelcel een specifieke receptor voor een hormoon heeft is deze cel gevoelig voor dit
hormoon – kan dus ook alleen reageren als de cel deze receptor heeft
- Het werkingsmechanisme van een hormoon wordt bepaald door de ligging van de receptor –
op het plasmamembraan of in de cel
Afgifte en transport van hormonen
- Worden afgegeven in bloed – vaak op plekken waar veel capillairen/haarvaten zitten voor
snelle opname
- Hormonen circuleren vrij in het bloed of binden aan transporteiwitten
o Vrij circulerende hormonen blijft kort functioneel – worden geactiveerd als:
Ze de bloedstroom uit diffunderen + zich aan receptor binden
Door nieren/lever worden geabsorbeerd/afgebroken
Door enzymen in bloedplasma/interstitiële vloeistof worden afgebroken
o Steroïdhormonen + schildklierhormonen blijven langer in bloed omdat deze binden
aan transporteiwitten
- Voor elk hormoon ontstaat een evenwichtsreactie tussen het eiwitgebonden hormoon en
het hormoon dat in vrije toestand aanwezig is – als vrije hormonen worden afgebroken,
worden deze vervangen door een eiwitgebonden hormoon dat vrijkomt
Regulatie hormonale activiteit
- Grotendeels gereguleerd via negatieve terugkoppeling
- Aangestuurd door:
o verandering van de samenstelling van extracellulaire vloeistof
o verandering in de concentraties van hormonen in het bloed
o een neurale prikkel: wanneer een neurotransmitter aankomt bij een verbinding
tussen zenuw en een klier
3. De ligging, de hormonen, functies en aandoeningen van de hypofyse beschrijven.
Hormonale stelsel aangestuurd door de hypothalamus + hypofyse, gereguleerd door negatieve
terugkoppeling:
- Hypothalamus:
o maakt zelf hormonen aan
o geeft ook signaalstoffen af die hypofyse aanzetten tot aansturen van
hormonaalklieren
- Hypofyse bestaat uit:
o hypofysevoorkwab – adenohypofyse
kan zelf hormonen aanmaken – 7 hormonen
o hypofyseachterkwab – neurohypofyse
Geeft hormonen af die in hypothalamus worden gevormd - zenuwen die in
hypothalamus zitten komen aan in hypofyseachterkwab
Hypofysevoorkwab kan wel zelf hormonen aanmaken, hypofyseachterkwab kan enkel hormonen van
hypothalamus “doorgeven”/afgeven
In totaal geeft hypofyse 9 verschillende hormonen af:
- Hypofysevoorkwab:
o ACTH: adrenocorticotroop hormoon – heeft effect op bijnierschors
o TSH: thyroidstimulerendhormoon – schildklier
o GH: groeihormoon – effect op alle weefsels/cellen, skelet en kraakbeencellen extra
gevoelig
o PRL: prolactine – melkklieren, van belang bij geven van borstvoeding
, o FSH: follikelstimulerend hormoon – effect op ovaria/testes
o LH: lutiniserend hormoon – effect op ovaria/testes, rijping spermacellen + stimuleert
eisprong
- Hypoefyseachterkwab:
o ADH: stimuleert meer wateropname in de nieren
o Oxytocine: stimuleert weeën + samentrekken melkklieren. Bij mannen effect op
zaadleider + prostaatklier
o Beide hormonen gemaakt in hypothalamus – afgegeven aan hypofyseachterkwab via
zenuwcellen. Vervolgens door hypofyseachterkwab afgegeven aan lichaam
Regulering afgifte hormonen:
Hypothalamus is hoogste regelorgaan – stuurt gehele endocriene stelsel aan
Kan ook regulerende hormonen afgeven, sturen hypofyse aan voor aansturen andere hormoonklier
Diabetes insipidus
- Ontstaat wanneer de hypofyseachterkwab niet langer voldoende ADH afgeeft wanneer de
nieren niet op ADH reageren.
- In de nieren wordt onvoldoende water geabsorbeerd en er gaan een enorme hoeveelheid
water met de urine verloren
- Hierdoor heeft de patiënt voortdurend dorst (= polydipsie) maar opgenomen stoffen worden
niet door het lichaam vastgehouden.
4. De ligging, de hormonen, functies en aandoeningen van de schildklier beschrijven.
Ligging schildklier:
- Onder het strottenhoofd
- Voor de luchtpijp, onder het schildkraakbeen
Twee kwabben van het schildklierweefsel zijn verbonden door het isthmus – smalle brug van
schildklierweefsel
Functies schildklier:
Verschillende cellen/delen in de schildklier hebben verschillende functies:
- Schildklierfollikels:
o Bolvormige, holle structuren, bevinden zich in grote aantallen in de schildklier
o Epitheelcellen van follikels vormen:
Thyroxine – T4
Tri-joodthyronine – T3
o Stimuleren eiwitsynthese (stofwisseling) en verhogen zuurstofconsumptie
- C-cellen:
o Bevinden zich tussen follikelcellen
o Produceren calcitocine – CT -> reguleert concentratie calciumionen
Aandoeningen schildklier:
Meest voorkomende aandoeningen zijn:
- Hypothyreoïdie: Te weinig schildklierhormoon
o Symptomen:
Traagheid, gewichtstoename, vermoeidheid
Opgeblazen gezicht, opgezette oogleden, haaruitval
Struma, stermverandering
Bradycardie
o Oorzaken: