Biologie opdrachten – week 5 en 6
1. Maak een zeer schematisch van het hart en de daaraan vastzittende bloedvaten
en benoem de onderdelen.
Zie tekeningen
2. Geef in je tekening weer welke onderdelen van het hart zuurstofrijk bloed
bevatten en welke zuurstof arm bloed bevatten.
zie tekeningen
3. Wat zijn kenmerken van een ader en wat
zijn kenmerken van een slagader?
De aders gaan altijd richting het hart en de
slagaders gaan altijd weg van het hart
4. Maak een circulair schema waarin alle
stappen beschreven staan van een
hartslag.
Zie tekeningen
5. Welke bloedcellen kan je onderscheiden,
hoe zijn ze opgebouwd en wat is de
functie van elk type?
Je hebt twee soorten bloedcellen: erytrocyten (rode bloedcellen) die zuurstof
vervoeren en de leukocyten (witte bloedcellen) die de afweer regelen. Tot de
bloedcellen worden ook de trombocyten (bloedplaatsjes) gerekend, hoewel hier
geen sprake is van cellen.
Een erytrocyt ziet eruit als een plat rond schijfje en is concaaf, dat wil zeggen dat cel
in het centrum van onder en van boven is ingedeukt. Erytrocyten hebben geen kern
en geen mitochondriën, waardoor ze nauwelijks stofwisselingsactiviteiten vertonen.
De cellen zitten bijna helemaal vol met eiwit hemoglobine (Hb). Dit eiwit,
roodgekleurd door het ingebouwde ijzeratoom, heeft een groot zuurstofbindende
vermogen in een zuurstofrijke omgeving (longen) en laat in een zuurstofarme
omgeving (actieve weefsels) de gebonden zuurstof makkelijk los.
Er zijn meerdere typen leukocyten, maar alle hebben ze te maken met immuniteit van
het lichaam. Ze zijn relatief groot en hebben een kern en organellen. De levensduur
van leukocyten loopt uiteen van elke dagen tot enkele weken. De leukocyten kunnen
in drie grote groepen verdeeld worden: granulocyten, monocyten en lymfocyten.
1. Maak een zeer schematisch van het hart en de daaraan vastzittende bloedvaten
en benoem de onderdelen.
Zie tekeningen
2. Geef in je tekening weer welke onderdelen van het hart zuurstofrijk bloed
bevatten en welke zuurstof arm bloed bevatten.
zie tekeningen
3. Wat zijn kenmerken van een ader en wat
zijn kenmerken van een slagader?
De aders gaan altijd richting het hart en de
slagaders gaan altijd weg van het hart
4. Maak een circulair schema waarin alle
stappen beschreven staan van een
hartslag.
Zie tekeningen
5. Welke bloedcellen kan je onderscheiden,
hoe zijn ze opgebouwd en wat is de
functie van elk type?
Je hebt twee soorten bloedcellen: erytrocyten (rode bloedcellen) die zuurstof
vervoeren en de leukocyten (witte bloedcellen) die de afweer regelen. Tot de
bloedcellen worden ook de trombocyten (bloedplaatsjes) gerekend, hoewel hier
geen sprake is van cellen.
Een erytrocyt ziet eruit als een plat rond schijfje en is concaaf, dat wil zeggen dat cel
in het centrum van onder en van boven is ingedeukt. Erytrocyten hebben geen kern
en geen mitochondriën, waardoor ze nauwelijks stofwisselingsactiviteiten vertonen.
De cellen zitten bijna helemaal vol met eiwit hemoglobine (Hb). Dit eiwit,
roodgekleurd door het ingebouwde ijzeratoom, heeft een groot zuurstofbindende
vermogen in een zuurstofrijke omgeving (longen) en laat in een zuurstofarme
omgeving (actieve weefsels) de gebonden zuurstof makkelijk los.
Er zijn meerdere typen leukocyten, maar alle hebben ze te maken met immuniteit van
het lichaam. Ze zijn relatief groot en hebben een kern en organellen. De levensduur
van leukocyten loopt uiteen van elke dagen tot enkele weken. De leukocyten kunnen
in drie grote groepen verdeeld worden: granulocyten, monocyten en lymfocyten.