Het lijkt wel dat …
Het lijkt wel dat…
Het lijkt wel dat…
2. Controleren / toetsen
Overleg met (schrijf hier de betrokken actoren)
De turnleerkrachten geven aan dat X …
De klastitularis geeft aan dat …
De orthopedagoog geeft aan dat …
…
Door dit gecontroleerd te hebben, kan ik spreken over inter-observatiebetrouwbaarheid omdat er
een overeenkomst is tussen verschillende observatoren.
Het verleden dat invloed heeft op het nu (een verkennende of explorerende onderzoeksvraag):
Vakliteratuur – Hoe wordt dit gedrag beschreven, door welke factoren beïnvloedt en welke
verbanden worden er gelegd?
X heeft het autismespectrumstoornis type Asperger, hemiplegie, spasticiteit linkervoet, dystonie
linkerarm.
3. Analyseren
Mogelijke vragen:
Waarover gaat dit precies?
Wie is hier allemaal bij betrokken?
Wanneer speelt dit wel en wanneer niet?
Bij wie van de teamleden gebeurt dit wel en bij wie niet?
Welk gedrag of welke deelaspecten zitten er aan deze signalering?
Welke mogelijke factoren spelen hierbij een rol?
4. Doel bepalen
Mijn doel is te weten komen hoe het komt dat …
5. Onderzoeksvraag
Welke factoren zorgen ervoor dat X* vaak huilbuien heeft?
- Concretiserende deelvragen (wat ga ik onderzoeken om mijn onderzoeksvraag te
beantwoorden):
1