Verruiming vrijheid van meningsuiting vs. Hoger recht
Schrijvers:
Datum:
Aantal woorden : 1998
Gevolgde werkgroep:
Begeleidende docent:
, Inleiding
Op 17 september 2014 heeft Tweede Kamerlid Driessen een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot
wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met een verruiming van de vrijheid van
meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting heeft onder andere als doel het bevorderen en
openhouden van het maatschappelijke debat. Daarbij doen de inhoud en de aard van die uitlatingen
niet ter zake. Dat recht op deelname aan het maatschappelijk debat geldt niet alleen voor politici of
andere opiniemakers, maar voor alle burgers. Het is zo dat iedereen zonder vrees voor vervolging zijn
politieke mening moet kunnen uiten. Dat recht verdient het daarom om verregaand en op een
verantwoorde manier in de Nederlandse rechtsorde te worden gewaarborgd. De indiener stelt dat
juist recente gebeurtenissen, ‘zoals de veroordeling van een man die een islamitische poster voor zijn
raam hing, de inval bij cartoonist Gregorius Nekschot en de mogelijke tweede vervolging van Geert
Wilders’, aantonen dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet goed kan worden gewaarborgd.
Dat komt doordat de delictsomschrijvingen van artikelen 137c/d Sr op essentiële onderdelen
onduidelijk zouden zijn en het gebrek aan helderheid over de reikwijdte van de vrijheid van
meningsuiting wordt versterkt door de conflicterende verdragsverplichtingen en de tegenstrijdige
jurisprudentie van het EHRM. Het initiatiefvoorstel bepleit daarom dat artikel 137c Sr volledig en
artikel 137d Sr gedeeltelijk moet worden geschrapt. Dit roept voor ons de volgende onderzoeksvraag
op: In hoeverre is het wetsvoorstel verruiming van vrijheid van meningsuiting verenigbaar met artikel
4 IVUR en het Kaderbesluit 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van
racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht?
Schrijvers:
Datum:
Aantal woorden : 1998
Gevolgde werkgroep:
Begeleidende docent:
, Inleiding
Op 17 september 2014 heeft Tweede Kamerlid Driessen een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot
wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met een verruiming van de vrijheid van
meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting heeft onder andere als doel het bevorderen en
openhouden van het maatschappelijke debat. Daarbij doen de inhoud en de aard van die uitlatingen
niet ter zake. Dat recht op deelname aan het maatschappelijk debat geldt niet alleen voor politici of
andere opiniemakers, maar voor alle burgers. Het is zo dat iedereen zonder vrees voor vervolging zijn
politieke mening moet kunnen uiten. Dat recht verdient het daarom om verregaand en op een
verantwoorde manier in de Nederlandse rechtsorde te worden gewaarborgd. De indiener stelt dat
juist recente gebeurtenissen, ‘zoals de veroordeling van een man die een islamitische poster voor zijn
raam hing, de inval bij cartoonist Gregorius Nekschot en de mogelijke tweede vervolging van Geert
Wilders’, aantonen dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet goed kan worden gewaarborgd.
Dat komt doordat de delictsomschrijvingen van artikelen 137c/d Sr op essentiële onderdelen
onduidelijk zouden zijn en het gebrek aan helderheid over de reikwijdte van de vrijheid van
meningsuiting wordt versterkt door de conflicterende verdragsverplichtingen en de tegenstrijdige
jurisprudentie van het EHRM. Het initiatiefvoorstel bepleit daarom dat artikel 137c Sr volledig en
artikel 137d Sr gedeeltelijk moet worden geschrapt. Dit roept voor ons de volgende onderzoeksvraag
op: In hoeverre is het wetsvoorstel verruiming van vrijheid van meningsuiting verenigbaar met artikel
4 IVUR en het Kaderbesluit 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van
racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht?