Chapitre 2 L’argent, ça va, ça vient… Corrigé
2.1
Exercice 1a Voorbeeldantwoord
1 Straatsburg.
2 In Straatsburg is de officiële zetel van het Europees Parlement.
3 De kathedraal en de wijk Petite France bezichtigen, shoppen.
4 Sinterklaas wordt op een andere dag gevierd: op 6 december.
Exercice 1b
-
Exercice 1c
Eigen antwoord.
Exercice 2a Voorbeeldantwoord
1 Geld, het komt en het gaat.
2 Dat je soms geld hebt en soms niet.
Exercice 2b
Jeter son argent par les fenêtres. = Geld over de balk gooien.
L'argent ne fait pas le bonheur. = Geld maakt niet gelukkig.
L'argent n'a pas d'odeur. = Geld stinkt niet.
Le temps, c’est de l’argent. = Tijd is geld.
L'argent ne pousse pas dans les arbres. = Geld groeit niet aan de bomen.
Exercice 2c
1 2 3 4 5
B C E D A
Exercice 3
Maakwerk Leerwerk
lire le texte B du chapitre 1 s’entraîner sur l’ordinateur pour l’interro
écrire un message de 30 mots apprendre le vocabulaire F
faire les exercices 20 à 22
faire un résumé du texte B en français
Exercice 4a
-
Exercice 4b Voorbeeldantwoord
School – wiskunde – huiswerk - zakgeld
Exercice 4c
Waar zijn we? In het openbaar vervoer (tram of bus).
Wie spreken er? Emma en Hugo
Hoe kennen ze elkaar? Ze zitten in dezelfde klas.
Waarover spreken ze? Kruis aan. - het huiswerk voor wiskunde
- het zakgeld van Emma
- winkelen
,
, Exercice 4d
1 C Hugo vindt wiskunde altijd interessant.
2 B Ze probeert een deel ervan te sparen.
3 A Eén van de twee heeft ze al.
Exercice 4e
- wil binnenkort iets duurs kopen Emma
- heeft een baantje om extra geld te verdienen
- denkt dat het makkelijk is om een baantje te vinden
- probeert uit te rekenen hoelang hij/zij moet sparen Hugo
- wil niet met kinderen werken
- gaat in gesprek met de docente
Exercice 4f
1 réagit sérieusement au
2 du mal à trouver
3 d’autres petits boulots
4 règle le problème d’Emma
Exercice 5 Voorbeeldantwoord
Hugo: wil voor haar uitrekenen hoe lang ze voor het tasje moet
sparen.
La prof de maths: adviseert om een goedkoper tasje te kopen (ze heeft zelfs een leuk
adresje voor haar).
Exercice 6a
1 un petit boulot / un petit job
2 l’argent de poche
3 faire des économies
4 dépenser
5 coûter
6 pratique
Exercice 6b
€ 88,00 € 49,00 € 175,00
€ 255,00 € 56,00 € 10,00
Exercice 7a
Tu fais des économies? → Ik geef vaak alles uit.
Qu’est-ce que tu viens d’acheter? → Ik heb zojuist een clutch gekocht.
Un clutch, qu’est-ce que c’est?
Je ne connais pas le mot en français. → Dat is een handtasje.
Il est cher, ce clutch? → Ja, hij kost 50 euro.
Exercice 7b
1 Je dépense souvent tout.
2 Je viens d’acheter un clutch.
3 C’est un petit sac à main.
4 Oui, il coûte 50 euros.
2.1
Exercice 1a Voorbeeldantwoord
1 Straatsburg.
2 In Straatsburg is de officiële zetel van het Europees Parlement.
3 De kathedraal en de wijk Petite France bezichtigen, shoppen.
4 Sinterklaas wordt op een andere dag gevierd: op 6 december.
Exercice 1b
-
Exercice 1c
Eigen antwoord.
Exercice 2a Voorbeeldantwoord
1 Geld, het komt en het gaat.
2 Dat je soms geld hebt en soms niet.
Exercice 2b
Jeter son argent par les fenêtres. = Geld over de balk gooien.
L'argent ne fait pas le bonheur. = Geld maakt niet gelukkig.
L'argent n'a pas d'odeur. = Geld stinkt niet.
Le temps, c’est de l’argent. = Tijd is geld.
L'argent ne pousse pas dans les arbres. = Geld groeit niet aan de bomen.
Exercice 2c
1 2 3 4 5
B C E D A
Exercice 3
Maakwerk Leerwerk
lire le texte B du chapitre 1 s’entraîner sur l’ordinateur pour l’interro
écrire un message de 30 mots apprendre le vocabulaire F
faire les exercices 20 à 22
faire un résumé du texte B en français
Exercice 4a
-
Exercice 4b Voorbeeldantwoord
School – wiskunde – huiswerk - zakgeld
Exercice 4c
Waar zijn we? In het openbaar vervoer (tram of bus).
Wie spreken er? Emma en Hugo
Hoe kennen ze elkaar? Ze zitten in dezelfde klas.
Waarover spreken ze? Kruis aan. - het huiswerk voor wiskunde
- het zakgeld van Emma
- winkelen
,
, Exercice 4d
1 C Hugo vindt wiskunde altijd interessant.
2 B Ze probeert een deel ervan te sparen.
3 A Eén van de twee heeft ze al.
Exercice 4e
- wil binnenkort iets duurs kopen Emma
- heeft een baantje om extra geld te verdienen
- denkt dat het makkelijk is om een baantje te vinden
- probeert uit te rekenen hoelang hij/zij moet sparen Hugo
- wil niet met kinderen werken
- gaat in gesprek met de docente
Exercice 4f
1 réagit sérieusement au
2 du mal à trouver
3 d’autres petits boulots
4 règle le problème d’Emma
Exercice 5 Voorbeeldantwoord
Hugo: wil voor haar uitrekenen hoe lang ze voor het tasje moet
sparen.
La prof de maths: adviseert om een goedkoper tasje te kopen (ze heeft zelfs een leuk
adresje voor haar).
Exercice 6a
1 un petit boulot / un petit job
2 l’argent de poche
3 faire des économies
4 dépenser
5 coûter
6 pratique
Exercice 6b
€ 88,00 € 49,00 € 175,00
€ 255,00 € 56,00 € 10,00
Exercice 7a
Tu fais des économies? → Ik geef vaak alles uit.
Qu’est-ce que tu viens d’acheter? → Ik heb zojuist een clutch gekocht.
Un clutch, qu’est-ce que c’est?
Je ne connais pas le mot en français. → Dat is een handtasje.
Il est cher, ce clutch? → Ja, hij kost 50 euro.
Exercice 7b
1 Je dépense souvent tout.
2 Je viens d’acheter un clutch.
3 C’est un petit sac à main.
4 Oui, il coûte 50 euros.