AFPF Les 1 § Voorbereiding
__________________________________________________________________________________
De structuur en functies beschrijven van arteriën, venen en capillairen en de verschillen
samenvatten tussen deze verschillende soorten bloedvaten.
Arteriën (slagaders) dragen bloed weg van het hart. Het bevat
3 lagen weefsel:
1. Tunica adventitia, een buitenste laag van vezelig
weefsel die het bloedvat beschermt en ondersteunt
2. Tunica media, een middelste laag die variabele
hoeveelheden glad spier en elastisch weefsel bevat
3. Tunica intima, oftewel endotheel, een gladde
binnenlaag die slechts één cel dik is. Het endotheel is
de enige laag die aanwezig is in de capillaire wanden,
die daardoor veel dunner zijn dan in de slagaders en
aders.
De kleinere takken van de arteriën, de arterioles, vertakken
zich in netwerken van capillairen (dunwandige haarvaten). De
wanden bestaan uit een laag endotheelcellen op een dun
membraan die doorlaatbaar is voor water, zuurstof,
voedingsstoffen en andere kleine moleculen, en cel afval
(zoals kooldioxide) in de bloedbaan terecht komt en
afgevoerd wordt.
De capillairen smelten samen tot kleine venulen, die op hun
beurt weer samensmelten tot de venen (grote aders), die het
bloed terugvoeren naar het hart. Venen hebben dezelfde
wanden als de arteriën, maar zijn dunner doordat het bloed
wat in het veneuze systeem terechtkomt onder zeer lage
druk de bloeddruk in de capillaire bedden kan laten dalen.
Sommige venen hebben kleppen die voorkomen dat bloed
terugstroomt. Deze kleppen bestaan uit plooien van de
tunica intima, verstevigd met bindweefsel en hun klepbladen
zijn halvemaanvormig, met de concave kant naar het hart.
Venen zijn rekbaar en kunnen een groot deel van de
bloedvoorraad bevatten.
De mechanismen verklaren waarmee de uitwisseling van
voedingsstoffen, gassen en afvalproducten tussen het
bloed en de weefsels plaatsvindt.
Interne respiratie: uitwisseling van gassen tussen capillair bloed en lokale lichaamscellen.
Externe respiratie: uitwisseling van gassen in de longen door de capillaire wanden heen.
Door diffusie, osmose en uitpersen van vocht uit de capillairen.
Diffusie: voor uitwisseling van de gassen O2 en CO2. Hemoglobine vervoert deze gassen door het
bloed. Zuurstof wordt door hemoglobine als oxyhemoglobine door het bloed vervoerd.
Osmose: water verplaatst zich tussen plasma in bloed en weefsels.
__________________________________________________________________________________
De structuur en functies beschrijven van arteriën, venen en capillairen en de verschillen
samenvatten tussen deze verschillende soorten bloedvaten.
Arteriën (slagaders) dragen bloed weg van het hart. Het bevat
3 lagen weefsel:
1. Tunica adventitia, een buitenste laag van vezelig
weefsel die het bloedvat beschermt en ondersteunt
2. Tunica media, een middelste laag die variabele
hoeveelheden glad spier en elastisch weefsel bevat
3. Tunica intima, oftewel endotheel, een gladde
binnenlaag die slechts één cel dik is. Het endotheel is
de enige laag die aanwezig is in de capillaire wanden,
die daardoor veel dunner zijn dan in de slagaders en
aders.
De kleinere takken van de arteriën, de arterioles, vertakken
zich in netwerken van capillairen (dunwandige haarvaten). De
wanden bestaan uit een laag endotheelcellen op een dun
membraan die doorlaatbaar is voor water, zuurstof,
voedingsstoffen en andere kleine moleculen, en cel afval
(zoals kooldioxide) in de bloedbaan terecht komt en
afgevoerd wordt.
De capillairen smelten samen tot kleine venulen, die op hun
beurt weer samensmelten tot de venen (grote aders), die het
bloed terugvoeren naar het hart. Venen hebben dezelfde
wanden als de arteriën, maar zijn dunner doordat het bloed
wat in het veneuze systeem terechtkomt onder zeer lage
druk de bloeddruk in de capillaire bedden kan laten dalen.
Sommige venen hebben kleppen die voorkomen dat bloed
terugstroomt. Deze kleppen bestaan uit plooien van de
tunica intima, verstevigd met bindweefsel en hun klepbladen
zijn halvemaanvormig, met de concave kant naar het hart.
Venen zijn rekbaar en kunnen een groot deel van de
bloedvoorraad bevatten.
De mechanismen verklaren waarmee de uitwisseling van
voedingsstoffen, gassen en afvalproducten tussen het
bloed en de weefsels plaatsvindt.
Interne respiratie: uitwisseling van gassen tussen capillair bloed en lokale lichaamscellen.
Externe respiratie: uitwisseling van gassen in de longen door de capillaire wanden heen.
Door diffusie, osmose en uitpersen van vocht uit de capillairen.
Diffusie: voor uitwisseling van de gassen O2 en CO2. Hemoglobine vervoert deze gassen door het
bloed. Zuurstof wordt door hemoglobine als oxyhemoglobine door het bloed vervoerd.
Osmose: water verplaatst zich tussen plasma in bloed en weefsels.