burgerij in de Nederlandse gewesten mogelijk
(1050-1302)?
K.a. 13 - De opkomst van de handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch-urbane samenleving
K.a. 14 - De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van de
steden
K.a. 16 - Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben
K.a. 17 - De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm
van kruistochten
NIEUWE HANDEL
Oorzaak 1:
➔ bevolking groeit
➔ meer voedsel nodig
➔ meer grond voor landbouw
➔ betere technieken
◆ drieslagstelsel
◆ juk
◆ keerploeg
➔ gevolgen:
➔ meer voedsel
➔ voedseloverschot
➔ ruimte voor specialisatie
➔ ze gingen producten verkopen op markten
➔ daaromheen ontstaan steden
Oorzaak 2:
➔ veiligheid neemt toe, want hunnen stoppen met invasies
➔ meer reizen
➔ internationale handel neemt toe
➔ jaarmarkten (in steden)
De blauwe banaan: aaneenschakeling van verstedelijkte gebieden in Europa, beginnend in
de stadstaten in Noord-Italië, via de Zuid-Duitse steden, naar Vlaanderen, Holland en het
zuiden van Engeland.
Boeren uit het hofstelsel gaan de overschotten op de markten verkopen in steden, maar
gaan daar wonen voor meer vrijheid. Het biedt dezelfde veiligheid als een edelman. De
steden hadden meer vrijheid door afspraken met een vorst/hoge edelman uit het gebied. In
ruil voor belasting ontvangen zij stadsrechten.
Stadsrechten: bijzondere rechten en/of privileges die aan een stad werden toegekend door
een vorst (of graaf/hertog) in ruil voor belasting
➔ eigen wetten en rechtspraak
➔ stadsmuur (veiligheid)
➔ jaarmarkt
➔ tol heffen
➔ gilden oprichten
Dit was gunstig voor de vorst, want zij ontvingen belasting. De stadsrechten zorgde voor
spanningen in het leenstelsel (politiek) en hofstelsel (economisch), want de lagere/hoge
edelen ontvingen niet altijd geld (of de vorst). Zo ontstond vorst vs. lage edelen vs. hoge
edelen.
1
, Poorters
nodig voor geld
ideeën
goederen een klant hebben
poorter/burger: een persoon die binnen een stad poorterrecht / burgerschap heeft verworven
door een bepaalde tijd in die stad te verblijven
Door de stadsrechten was er in de steden de opkomst van de burgerij. Wat we nu zien in de
steden, is:
➔ kooplieden rijker worden;
➔ mensen verenigen zich in gilden;
➔ ontstaan nieuwe klasse genaamd de Patriciërs: rijkste burgers.
➔ steden gaan taken van de geestelijkheid overnemen;
➔ er ontstaat een conflict tussen het gemeen en de Patriciërs, om gelijkheid.
ATRECHT
➔ Handelsnetwerk met frankrijk en Italië
➔ Hoge landbouwproductiviteit
➔ Lakennijverheid
➔ Bisschopsstad, dus goed contact met
Rome en de paus
➔ Gilden kooplieden
BRUGGE
➔ Patriciërs
➔ Eerste kapitaalmarkt
➔ Hanze netwerk
➔ Betere bereikbaarheid
➔ lakennijverheid (Engeland)
➔ Goede handelscontacten (Spanje en Italië)
➔ Combinatie van de wisselbrief en de bank tot de eerste koopmansbeurs
Als gevolg van de sterker ontwikkelde stad werden de Patriciërs nog rijker en
onderscheiden ze zich van het gemeen1. Er ontstond spanning van het ontstaan van deze
nieuwe klasse. Dit uitte zich in de Guldensporenslag in 1302. Vlaanderen werd zichtbaar
steeds sterker, en kwam tegenover de Patriciërs te staan. De vorst van Frankrijk wilde
Vlaanderen aan zijn rijk toevoegen, en de Patriciërs sloten bij hem aan. Uiteindelijk won het
Vlaamse volk van het Franse ridderleger. De Guldensporenslag is genoemd naar de gouden
sporen van de Franse ridders die op de plaats van strijd gevonden werden.
Vanaf de 11e eeuw nam de macht van de kerk toe. Dat uitte zich in expansie naar buiten,
onder andere in de vorm van kruistochten. Daarnaast ontstond er een machtsstrijd, de
investituurstrijd, tussen de paus (de geestelijke machthebber) en de keizer/vorsten (de
wereldlijke machthebbers). Ze kregen onenigheid over het benoemen van bisschoppen, die
in het feodale stelsel soms als leenman fungeerden en daarom soms stadsrechten
toekenden, terwijl ze ook in de hiërarchie van de kerk een belangrijke rol speelden.
1
Het arme deel van de Middeleeuwse stadsbevolking.
2