Methoden van psychologisch onderzoek 2
ENKELE UITGANGSPUNTEN EN ONDERZOEKSPLAN
FUNDAMENTEEL VS. PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK
FUNDAMENTEEL ONDERZOEK
∙ Probleemstelling/aanleiding van een tekort in theorie en/of
onderzoek
∙ Beantwoorden van kennisvragen
∙ Toename van wetenschappelijke kennis
∙ Output: onderzoeksverslag met onrechtstreekse link naar de
praktijk
∙ (wetenschappelijke paper / artikel)
∙ gericht op kennis van mensen verhogen
PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK
∙ Probleemstelling/aanleiding t.m.m. nood, probleem, vraag uit de
praktijk
∙ Beantwoorden van praktijkvragen
∙ Oplossen van concreet probleem/vraag
∙ Output: onderzoeksverslag en/of beroepsproduct dat handvaten
aanreikt en een oplossing biedt
∙ gericht op verbeteren van de praktijk
o Bij MPO2 focussen we ons op praktijkgericht onderzoek
ONDERZOEKSVERSLAG VS. BEROEPSPRODUCT
Onderzoeksverslag (MPO2& BaP)
∙ Inleiding & probleemstelling
∙ Methode
∙ Resultaten
∙ Conclusies
∙ Referenties
Beroepsproduct (BaP & BC)
= iets ontwikkelen waar praktijk onmiddellijk mee aan de slag kan
ONDERZOEKSPLAN
= voordat we data kunnen verzamelen moeten we eerst weten wat het
plan is > moet voor het onderzoek gebeuren
= deze info rechtstreeks gebruiken voor het opstellen van het
onderzoeksplan
1
,WAT?
Voorbeelden
∙ Leemte uit de literatuur
∙ Replicatiestudie; zijn zaken die je gelezen hebt in een bepaalde
studie ook toepasbaar in een andere context
∙ Concrete vraag uit de praktijk
WAAROM?
∙ Praktijkvraag verkennen, meer info verzamelen via intakegesprek
o Via 6W-methode
o Probleem kan ook verwijzen naar een nood, behoefte of vraag.
∙ Probleemstelling – verantwoording van het onderzoek, waarom
moet het onderzoek uitgevoerd worden?
WAT? (2)
Afbakenen van het onderwerp – probleemstelling > onderzoeksvraag
Literatuur doornemen – opzoek naar begripsafbakening
∙ De literatuurstudie heeft als doel de onderzoeksvraag vorm te
geven
o Vb. basisschool vraagt zich af of ze hun kinderen nog
huiswerk moeten meegeven (=probleemstelling)
o “wat zijn de voor- en nadelen van het geven van huiswerk voor
kinderen, onderwijzers en onderwijsprofessionals?” (=onderzoeksvraag)
∙ Begrippen binnen probleemstelling afbakenen
o Vb. in bedrijf X wordt vastgesteld dat er een hoge mate van
burn-out is bij personeelsleden die aan de lopende band
werken. Het bedrijf vraagt zich af hoe het welzijn van de
werknemers die werken aan de lopende band in bedrijf X kan
worden verhoogd?
o Eerst gaan kaderen wat welzijn precies is, daarna pas
onderzoek doen
∙ Waarom?
o De betekenis van het begrip staat vast en is helder voor de
rest van het onderzoek
o Je laat heel duidelijk de grenzen van je onderzoek zien: wat je
wel en wat je niet gaat onderzoeken
o De afbakening van het begrip bepaalt welke info je straks,
tijdens de dataverzameling moet verzamelen
∙ Begripsomschrijvingen vind je in de wetenschappelijke literatuur
∙ Stipulatieve definities mogelijk = je eigen definitie maken a.d.h.v.
literatuur – “In dit onderzoek verstaan wij onder....”
Literatuur doornemen op zoek naar
2
, ∙ Begripsafbakening
∙ Achtergrondinfo over het onderwerp
∙ Literatuur over eerder gepresenteerde onderzoeksresultaten
Onderzoeksvragen zijn toetsbaar (= te weerleggen of te bevestigen)
∙ Onderzoeksvraag moet eenduidig zijn
∙ Specifiek; moet duidelijk zijn over wie het gaat
∙ Concrete begrippen/onderzoek variabelen
∙ Duidelijk en ondubbelzinnig geformuleerd
∙ Informatief – moet nieuwe inzichten bevatten
Types onderzoeksvragen
Deelonderzoeksvragen
∙ Hoofdvraag – ‘hoe evalueren leerkrachten BuLO het
preventieprogramma TOPspel?’
∙ Deelvragen
o Hoe evalueren ze de training van TOPspel?
o Hoe ervaren ze de implementatie in de klas?
o Ervaren ze een effect bij zichzelf; en bij de leerlingen?
Voorwaarden
∙ Deelvragen zijn relevant
∙ Deelvragen overlappen niet, vullen elkaar aan
∙ Deelvragen vormen een specificatie van begrippen uit de
probleemstelling
Verwachtingen (bij kwalitatief en kwantitatief onderzoek)
= bij onderzoek ga je altijd verwachtingen hebben, bij kwantitatief
onderzoek kunnen deze verwachtingen heel specifiek zijn.
Hypothese (bij kwantitatief
onderzoek!)
∙ Een stelling die nog niet
weerlegd is
∙ Precies en specifiek
HOE?
3
ENKELE UITGANGSPUNTEN EN ONDERZOEKSPLAN
FUNDAMENTEEL VS. PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK
FUNDAMENTEEL ONDERZOEK
∙ Probleemstelling/aanleiding van een tekort in theorie en/of
onderzoek
∙ Beantwoorden van kennisvragen
∙ Toename van wetenschappelijke kennis
∙ Output: onderzoeksverslag met onrechtstreekse link naar de
praktijk
∙ (wetenschappelijke paper / artikel)
∙ gericht op kennis van mensen verhogen
PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK
∙ Probleemstelling/aanleiding t.m.m. nood, probleem, vraag uit de
praktijk
∙ Beantwoorden van praktijkvragen
∙ Oplossen van concreet probleem/vraag
∙ Output: onderzoeksverslag en/of beroepsproduct dat handvaten
aanreikt en een oplossing biedt
∙ gericht op verbeteren van de praktijk
o Bij MPO2 focussen we ons op praktijkgericht onderzoek
ONDERZOEKSVERSLAG VS. BEROEPSPRODUCT
Onderzoeksverslag (MPO2& BaP)
∙ Inleiding & probleemstelling
∙ Methode
∙ Resultaten
∙ Conclusies
∙ Referenties
Beroepsproduct (BaP & BC)
= iets ontwikkelen waar praktijk onmiddellijk mee aan de slag kan
ONDERZOEKSPLAN
= voordat we data kunnen verzamelen moeten we eerst weten wat het
plan is > moet voor het onderzoek gebeuren
= deze info rechtstreeks gebruiken voor het opstellen van het
onderzoeksplan
1
,WAT?
Voorbeelden
∙ Leemte uit de literatuur
∙ Replicatiestudie; zijn zaken die je gelezen hebt in een bepaalde
studie ook toepasbaar in een andere context
∙ Concrete vraag uit de praktijk
WAAROM?
∙ Praktijkvraag verkennen, meer info verzamelen via intakegesprek
o Via 6W-methode
o Probleem kan ook verwijzen naar een nood, behoefte of vraag.
∙ Probleemstelling – verantwoording van het onderzoek, waarom
moet het onderzoek uitgevoerd worden?
WAT? (2)
Afbakenen van het onderwerp – probleemstelling > onderzoeksvraag
Literatuur doornemen – opzoek naar begripsafbakening
∙ De literatuurstudie heeft als doel de onderzoeksvraag vorm te
geven
o Vb. basisschool vraagt zich af of ze hun kinderen nog
huiswerk moeten meegeven (=probleemstelling)
o “wat zijn de voor- en nadelen van het geven van huiswerk voor
kinderen, onderwijzers en onderwijsprofessionals?” (=onderzoeksvraag)
∙ Begrippen binnen probleemstelling afbakenen
o Vb. in bedrijf X wordt vastgesteld dat er een hoge mate van
burn-out is bij personeelsleden die aan de lopende band
werken. Het bedrijf vraagt zich af hoe het welzijn van de
werknemers die werken aan de lopende band in bedrijf X kan
worden verhoogd?
o Eerst gaan kaderen wat welzijn precies is, daarna pas
onderzoek doen
∙ Waarom?
o De betekenis van het begrip staat vast en is helder voor de
rest van het onderzoek
o Je laat heel duidelijk de grenzen van je onderzoek zien: wat je
wel en wat je niet gaat onderzoeken
o De afbakening van het begrip bepaalt welke info je straks,
tijdens de dataverzameling moet verzamelen
∙ Begripsomschrijvingen vind je in de wetenschappelijke literatuur
∙ Stipulatieve definities mogelijk = je eigen definitie maken a.d.h.v.
literatuur – “In dit onderzoek verstaan wij onder....”
Literatuur doornemen op zoek naar
2
, ∙ Begripsafbakening
∙ Achtergrondinfo over het onderwerp
∙ Literatuur over eerder gepresenteerde onderzoeksresultaten
Onderzoeksvragen zijn toetsbaar (= te weerleggen of te bevestigen)
∙ Onderzoeksvraag moet eenduidig zijn
∙ Specifiek; moet duidelijk zijn over wie het gaat
∙ Concrete begrippen/onderzoek variabelen
∙ Duidelijk en ondubbelzinnig geformuleerd
∙ Informatief – moet nieuwe inzichten bevatten
Types onderzoeksvragen
Deelonderzoeksvragen
∙ Hoofdvraag – ‘hoe evalueren leerkrachten BuLO het
preventieprogramma TOPspel?’
∙ Deelvragen
o Hoe evalueren ze de training van TOPspel?
o Hoe ervaren ze de implementatie in de klas?
o Ervaren ze een effect bij zichzelf; en bij de leerlingen?
Voorwaarden
∙ Deelvragen zijn relevant
∙ Deelvragen overlappen niet, vullen elkaar aan
∙ Deelvragen vormen een specificatie van begrippen uit de
probleemstelling
Verwachtingen (bij kwalitatief en kwantitatief onderzoek)
= bij onderzoek ga je altijd verwachtingen hebben, bij kwantitatief
onderzoek kunnen deze verwachtingen heel specifiek zijn.
Hypothese (bij kwantitatief
onderzoek!)
∙ Een stelling die nog niet
weerlegd is
∙ Precies en specifiek
HOE?
3