1. Het realiseren van nieuwe doelen past vooral bij de herstelfase:
a) overweldigd worden door de aandoening.
b) leven voorbij de aandoening.
c) leven met de aandoening.
d) worstelen met de aandoening.
2. Iemand op straat zegt: “ Heb je die verslaafde mensen zien hangen op
de stoep? Ze zorgen voor overlast, ze zijn ook schuldig aan hun eigen
verslaving. Hadden ze die troep maar niet moeten gebruiken”, is een
voorbeeld van:
a) stigma.
b) destigmatisering.
c) zelfstigma.
d) herstelondersteunende zorg.
3. Welke vaardigheden bezit de rehabilitatiewerker die goed is in het
‘bandscheppen’?
a) Begrip tonen, van mening kunnen verschillen met de cliënt en
opkomen voor diens belangen.
b) Vertrouwen schenken, veiligheid waarborgen en acceptatie tonen.
c) Vertrouwen schenken, open en eerlijk zijn en van mening verschillen.
d) Jezelf laten zien, begrip tonen en inspireren.
4. Wat wordt binnen de milieurehabilitatie onder de directe sociale omgeving
verstaan?
a) Het meubilair, de ligging en de kleur van de tastbare omgeving.
b) Alle personen die deel uitmaken van de omgeving.
c) De omgangsvormen en tradities.
d) De participatie in de maatschappij.
5. Jesmine heeft een kennismakingsgesprek bij een instelling voor
begeleid wonen. Zij wil in dit gesprek ter sprake brengen dat zij haar