Hoofdstuk 20:
20.1 Machtsfunctie en juridische functie van de staat
Machtsfunctie van de overheid = alleen de overheid mag legitiem geweld
gebruiken. De overheid heeft een monopolie op het terrein van de gewapende
macht, zoals leger en politie.
Omdat de staat de hoofste bevoegdheid heeft om beslissingen te nemen bezit de
staatsoverheid de hoogste macht in de staat. De gewapende macht
(zwaardmacht) geeft de overheid de mogelijkheid om deze beslissingen evt. met
geweld af te dwingen.
Juridische functie van de staat = de staat is een rechtsgemeenschap van
overheid en staatsburgers.
Soeverein = de staat bepaalt zelf de omvang van de rechtsmacht (jurisdictie).
20.2 Staatsrechtelijke beginselen
Nederland is een rechtsstaat. Wat houdt dit in?
- De burger wordt beschermd tegen willekeur van de overheid
- Niet alleen de gewone burgers zijn aan het recht gebonden, maar ook de staat
zelf
- De burger heeft grondrechten die door de staat moeten worden gerespecteerd
Om deze vrijheid van de burgers te waarborgen bestaan er in onze staat de
volgende beginselen:
- Het beginsel van de machtenscheiding: Trias politica = wetgevende,
uitvoerende en rechtsprekende macht. Zo valt niet alle macht in de handen van 1
orgaan. In Nederland is er géén strikte scheiding, maar ‘checks and balances’.
- Het legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden moet op een wettelijke grondslag
berusten, Art. 81 Gw, of een andere wet in formele zin.
- Het beginsel van de democratie: Het volk kiest de leden van de Tweede Kamer
(= direct), waarna de Tweede Kamerleden de Eerste Kamerleden kiezen
(=indirect). De indirecte kieswijze word ook wel het getrapt stelsel genoemd. De
Eerste en Tweede Kamer samen zijn de Staten-Generaal.
- De onafhankelijkheid van de rechter: Art. 11 Wet algemene bepalingen, de
rechter is onpartijdig. Door zijn onafhankelijke positie kan de rechter in beginsel
niet tegen zijn wil ontslagen worden, Art. 117 lid 1 Gw.
- De waarborg van de grondrechten: Klassieke grondrechten = voor bescherming
van burgers tegen de overheid (recht op vrijheid van meningsuiting etc.), en
Sociale grondrechten = voor prestaties van de overheid (zich inzetten om
onderwijs te bieden etc.). De sociale grondrechten bevatten geen verplichting
van slagen, alleen de inzet van de overheid is al genoeg.
Art. 2 Wet RO, tot de rechterlijke macht behoren:
- Rechtbanken (incl. sector kanton, Art. 47 Wet RO)
- Gerechtshoven
- Hoge Raad
, Per 1 januari 2013 wet gewijzigd:
- van 19 naar 11 rechtbanken
- Van 5 naar 4 gerechtshoven
20.3 Organen van de staat
De organen van de staat zijn:
- Koning:
Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van de
constitutionele ‘stamvader’ van het Nederlandse vorstenhuis: Koning Willem I,
Prins van Oranje. Bij overlijden van de Koning treedt Art. 25 Gw in werking. Zo
niet, dan treedt Art. 27 Gw in werking (= abdicatiemogelijkheid).
De Koning heeft 2 functies: hij is staatshoofd en regeringslid. Als staatshoofd
vertegenwoordigd hij de Nederlandse staat in het binnen- en buitenland. Als
regeringslid neemt hij samen met een of meer ministers besluiten.
De koning is onschendbaar volgens Art. 42 lid 2 Gw. Ministers hebben
strafrechtelijke verantwoordelijkheid en politieke verantwoordelijkheid.
Strafrechtelijke verantwoordelijkheid = Een minister pleegt een strafbaar feit als
hij een besluit van de Koning ondertekent dat in strijd is met een wet of met de
Gw. Politieke verantwoordelijkheid = De ministers zijn verantwoordelijk voor alle
daden van de Koning.
- Regering: Koning en minister(s) samen. Ook kan het de Koning zijn die handelt
met een staatssecretaris. De regering moet echter niet verward worden met de
term kabinet. Het kabinet zijn namelijk alle gezamenlijke ministers en
staatssecretarissen, maar bij de regering kan de koning ook met maar één van
deze twee partijen handelingen verrichten.
- Ministers + staatssecretarissen:
Minister zonder portefeuille = een minister die geen leiding heeft over een
ministerie. Verder staan deze ministers in beginsel gelijk aan andere ministers.
Minister president = is voorzitter van de ministerraad, én regelt de benoeming en
het ontslag van ministers. Ontslag en benoeming word bij koninklijk besluit (ook
wel regeringsbesluit genoemd) gedaan. De minister president is de politieke
leider van de grootste regeringspartij.
Ministerraad = de vergadering van de ministers onder voorzitterschap van de
minister-president.
Staatssecretarissen krijgen een bepaald deel van de werkzaamheden van het
ministerie en kan bij zijn optreden aanwijzingen krijgen van de minister. De
staatssecretaris is dus ondergeschikt aan de minister. Als een minister aftreed
moet de staatssecretaris ook aftreden. Andersom is dit niet het geval.
- Staten-Generaal: Eerste Kamer (75 leden) en Tweede Kamer (150 leden). Art. 50
Gw.
De Tweede Kamer:
- Medewetgever: heeft het recht van initiatief (Art. 82 Gw) en het recht van
amendement (Art. 84 Gw).
- Controleren regering: heeft het recht van interpellatie (Art. 68 Gw), het
vragenrecht, en het recht van enquête (Art. 70 Gw).