De theorie v. ervaringsordening gaat ervan uit dat elk mens om enige greep te
hebben op de werkelijkheid ervaringen moet ordenen. Dit proces is altijd
aanwezig. Bij een verstandelijke beperking is de kwantiteit v.d. ervaringsordening
echter wel beperkt, maar de basis v.d. kwaliteit ervan blijft hetzelfde als bij ieder
ander mens.
Elk deel v. ervaringsordening is gericht op basisveiligheid, want als de
werkelijkheid als veilig wordt ervaren, mag deze blijven zoals zij is of kan zij
zonder angst, naar behoefte worden veranderd.
Ervaringsordening bestaat uit 4 delen, die altijd tegelijkertijd aanwezig zijn.
Wanneer men denkt dat één of meer v.d. gezichtspunten verloren gaat, niet
wordt ontwikkeld of buiten beeld blijft, maakt men zich schuldig aan psychische
lobetectomie, ofwel het ontkennen v. menselijke mogelijkheden.
De vier delen kan men herkennen door vier basisvragen te stellen:
1. Is mijn lichaam veilig?
2. Is mijn omgeving betrouwbaar?
3. Ken ik de samenhang v.d. situatie, de gebeurtenis of episode waarin ik mij
bevind?
4. Mag ik mezelf zijn, wordt ik gekend in mijn eigenheid?
Alle delen v.d. ordening werken samen en zijn altijd tegelijk werkzaam. Als een
v.d. vragen met ‘nee’ wordt beantwoord, worden alle krachten v.d. andere delen
ingezet om dat ene deel te hulp te schieten. Daarbij kan de medemens
ondersteuning bieden.
Ervaringsordening bestaat uit 4 fasen:
1. Lichaamsgebonden fase
2. Associatieve fase
3. Structurerende fase
4. Vormgevende fase
Bij de lichaamsgebonden fase is het lichaam het uitgangspunt v. alle ordening
en handelingen in de werkelijkheid. Prikkelverwerking verloopt via de zintuigen.
De medemens is in deze fase erg belangrijk. Het leren kennen, waarderen en
gebruiken v.d. informatie uit deze fase vindt spontaan plaats, maar kan ook
gestimuleerd worden door de medemens. De fase geeft informatie over veiligheid
v. iemands lijf, onveiligheid geeft onlust, vecht- of vluchtgedrag of verstarring:
fight, flight of freeze. Aansluiten bij lichaamsgebonden taal gaat het best met
een lichaamsgebonden antwoord.
In de leeftijdsperiode 0 tot 1,5 jaar wordt er spontaan geoefend via het
lichaamsgebonden deel v. ervaringsordening. Het kind is voortdurend bezig het
lichaam op alle manieren als instrument te gebruiken.
Communicatiemogelijkheden vanuit het lichaamsgebonden deel zijn
bijvoorbeeld vormen v.h. maken v. contact: door aanraken v.h. lichaam, door
fluisteren, zachte geluiden, naam noemen en oogcontact maken. Menselijke stem
kan worden gebruikt door hard en zacht af te wisselen, door geluiden te maken,
door intonatie en door in een vast patroon aanwezig te zijn.