Humane levenscyclus
College 1: Celbiologie en de organisatie van DNA
Inleiding embryogenese:
Trofoblast: voedende cellen in de placenta
Vanaf 1900: morfologie → anatomische benadering, observaties, vergelijkende studies
Jaren 60: teratologie → stoffen kunnen de placenta passeren en een negatief effect
hebben op het ontwikkelende kind
Jaren 70 en 80 → experimentele embryologie zoals celmigratie
Jaren 90 → moleculaire benadering, genetische modificatie:
reportergenen, fluorescente pubes, RNA-interferentie
In de cellen heb je intra- en extracellulaire domeinen, daar is een constante interactie
tussen.
Nucleolus = kernlichaampje
Nucleus = celkern
Functies onderdelen cel:
● Ruw endoplasmatisch reticulum: eiwitten worden gemaakt op de ribosomen
(translatie) en transport naar het Golgi
● Glad endoplasmatisch reticulum: transport naar Golgi, syntheses van fosfolipiden en
ontgifting
● Golgi Systeem: eiwit ombouwen (modificeren), opslaan en inpakken in blaasjes voor
transport
● Lysosoom: blaasjes, gemaakt door Golgi Systeem, die partikels (deeltjes) afbreken.
De afbraakproducten hergebruikt of veilig kunnen hergebruiken.
● Mitochondrion: energiecentrale, citroenzuurcylcus, oppervlaktevergroting
● Kern: verzamelpunt van genetische informatie, DNA
● Kernlichaampje: bevat rRNA- genen voor de aanmaak van ribosomen (voor
translatie)
● Cytoskelet: polymeren van eiwitten in cellen, dit zorgt voor stevigheid en flexibiliteit.
Bijvoorbeeld microfilamenten, microtubuli en intermediaire filamenten
Ontwikkeling bevruchte eicel tot een embryo:
1. Vormbepaling: morfologische embryonale ontwikkeling → celdeling (proliferatie),
celbeweging (migratie) en celtype bepaling (specificatie en differentiatie)
2. Aansturing/signalering: moleculaire embryonale ontwikkeling
, Signaalstoffen beïnvloeden celgedrag:
Erfelijk materiaal (DNA) is de drager die nodig is voor eiwitsynthese. Dit erfelijk materiaal
bevindt zich in de celkern.
Samenvatting: cellen bestaan uit een verscheidenheid aan organellen met verschillende
functies en staan in contact met hun omgeving. Embryogenese kan beschouwd worden
vanuit morfologisch en een moleculair perspectief. Cel-signalering wordt verzorgd door
speciale signaaleiwitten die gemaakt worden op basis van erfelijke informatie in DNA in de
celkern.
DNA structuur en organisatie
DNA: desoxyribonucleïnezuur
● Drager van erfelijke informatie
● bevat genen die coderen voor de aanmaak van eiwitten
● Polymeer opgebouwd uit nucleotiden, bestaande uit deoxyribose (suiker),
fosfaatgroepen en stikstofbasen
● Dubbelstrengs
Chromosoom → één dubbelstrengs DNA molecuul
Genoom → totaal aantal chromosomen per celkern
(nucleotide (fosfaatgroep, suiker en stikstofbase) + DNA = chromosoom ) = genoom
Alle cellen hebben exact hetzelfde genoom. Elk men heeft dezelfde genen, maar door
mutaties (puntmutaties, deleties, inserties en SNP’s) een ander genoom. In het genoom
codeert maar 1.5% voor eiwitten. Al het andere in de cel heeft geen invloed op het gen,
maar wel tot hoe de cel tot expressie komt.
Opvouwing van het genoom
Histonen (eiwitten) zorgen ervoor dat een genoom zich op kan vouwen. Het bolletje waar
omheen het DNA is gewikkeld, bestaat uit 8 histoneiwitten in een octameer (nucleosoom).
Histoneiwitten bevatten veel aminozuren met een positieve lading. De positieve lading zorgt
ervoor dat de histonen binden aan het negatief geladen DNA.
Histon modificatie maakt DNA losser (toegankelijk) of juist strakker (minder toegankelijk).
De functie van het netjes opvouwen van DNA tot chromosoom:
1. Garanderen van de juiste replicatie en vervolgens verdeling over de twee
dochtercellen na de celdeling
2. Toegang behouden voor reparatie- en transcriptie enzymen
College 1: Celbiologie en de organisatie van DNA
Inleiding embryogenese:
Trofoblast: voedende cellen in de placenta
Vanaf 1900: morfologie → anatomische benadering, observaties, vergelijkende studies
Jaren 60: teratologie → stoffen kunnen de placenta passeren en een negatief effect
hebben op het ontwikkelende kind
Jaren 70 en 80 → experimentele embryologie zoals celmigratie
Jaren 90 → moleculaire benadering, genetische modificatie:
reportergenen, fluorescente pubes, RNA-interferentie
In de cellen heb je intra- en extracellulaire domeinen, daar is een constante interactie
tussen.
Nucleolus = kernlichaampje
Nucleus = celkern
Functies onderdelen cel:
● Ruw endoplasmatisch reticulum: eiwitten worden gemaakt op de ribosomen
(translatie) en transport naar het Golgi
● Glad endoplasmatisch reticulum: transport naar Golgi, syntheses van fosfolipiden en
ontgifting
● Golgi Systeem: eiwit ombouwen (modificeren), opslaan en inpakken in blaasjes voor
transport
● Lysosoom: blaasjes, gemaakt door Golgi Systeem, die partikels (deeltjes) afbreken.
De afbraakproducten hergebruikt of veilig kunnen hergebruiken.
● Mitochondrion: energiecentrale, citroenzuurcylcus, oppervlaktevergroting
● Kern: verzamelpunt van genetische informatie, DNA
● Kernlichaampje: bevat rRNA- genen voor de aanmaak van ribosomen (voor
translatie)
● Cytoskelet: polymeren van eiwitten in cellen, dit zorgt voor stevigheid en flexibiliteit.
Bijvoorbeeld microfilamenten, microtubuli en intermediaire filamenten
Ontwikkeling bevruchte eicel tot een embryo:
1. Vormbepaling: morfologische embryonale ontwikkeling → celdeling (proliferatie),
celbeweging (migratie) en celtype bepaling (specificatie en differentiatie)
2. Aansturing/signalering: moleculaire embryonale ontwikkeling
, Signaalstoffen beïnvloeden celgedrag:
Erfelijk materiaal (DNA) is de drager die nodig is voor eiwitsynthese. Dit erfelijk materiaal
bevindt zich in de celkern.
Samenvatting: cellen bestaan uit een verscheidenheid aan organellen met verschillende
functies en staan in contact met hun omgeving. Embryogenese kan beschouwd worden
vanuit morfologisch en een moleculair perspectief. Cel-signalering wordt verzorgd door
speciale signaaleiwitten die gemaakt worden op basis van erfelijke informatie in DNA in de
celkern.
DNA structuur en organisatie
DNA: desoxyribonucleïnezuur
● Drager van erfelijke informatie
● bevat genen die coderen voor de aanmaak van eiwitten
● Polymeer opgebouwd uit nucleotiden, bestaande uit deoxyribose (suiker),
fosfaatgroepen en stikstofbasen
● Dubbelstrengs
Chromosoom → één dubbelstrengs DNA molecuul
Genoom → totaal aantal chromosomen per celkern
(nucleotide (fosfaatgroep, suiker en stikstofbase) + DNA = chromosoom ) = genoom
Alle cellen hebben exact hetzelfde genoom. Elk men heeft dezelfde genen, maar door
mutaties (puntmutaties, deleties, inserties en SNP’s) een ander genoom. In het genoom
codeert maar 1.5% voor eiwitten. Al het andere in de cel heeft geen invloed op het gen,
maar wel tot hoe de cel tot expressie komt.
Opvouwing van het genoom
Histonen (eiwitten) zorgen ervoor dat een genoom zich op kan vouwen. Het bolletje waar
omheen het DNA is gewikkeld, bestaat uit 8 histoneiwitten in een octameer (nucleosoom).
Histoneiwitten bevatten veel aminozuren met een positieve lading. De positieve lading zorgt
ervoor dat de histonen binden aan het negatief geladen DNA.
Histon modificatie maakt DNA losser (toegankelijk) of juist strakker (minder toegankelijk).
De functie van het netjes opvouwen van DNA tot chromosoom:
1. Garanderen van de juiste replicatie en vervolgens verdeling over de twee
dochtercellen na de celdeling
2. Toegang behouden voor reparatie- en transcriptie enzymen