1. basisbegrippen in het vakgebied marketing
Marketingconcept:
Een onderneming die de behoeften van de afnemers centraal stelt.
Marketing:
Het bevredigen van de wensen en de behoeften van de afnemers.
Concreet voorbeeld: reclame
Functie van marketing:
De doelstelling van de onderneming (winst maken) te helpen realiseren door die
producten te verkopen waaraan de afnemer behoefte heeft.
Marktbenadering oriëntatie:
1. Productieoriëntatie
2. Productoriëntatie
3. Verkooporiëntatie
4. Marketingoriëntatie
5. Maatschappelijke oriëntatie
1. Productieoriëntatie
Het uitgangspunt:
Zo veel mogelijk te produceren van de producten tegen een zo laag
mogelijke prijs.
Ontstaan:
Door de schaarste aan goederen, kostte het de fabrikant bijna geen moeite
om de grote hoeveelheden te verkopen. Er was een tekort aan allerlei
producten waardoor de producenten/verkopers het voor het zeggen
hadden. (Verkopersmarkt)
Verkopersmarkt:
De vraag is groter dan het aanbod
2. Productoriëntatie
Het uitgangspunt:
Een goed product verkoopt zichzelf.
Ontstaan:
Bij productoriëntatie ga je er van uit dat de consument alleen die
producten koopt, die het meeste waar voor hun geld bieden. De kwaliteit
van het product vormt een belangrijke voorwaarde voor de verkoop ervan.
Dit concept was bedacht omdat er meer concurrentie kwam.
3. Verkooporiëntatie
Het uitgangspunt:
De aandacht werd gericht op het verhogen en de effectiviteit van
verkopen.
, Ontstaan:
De verkopersmarkt veranderde in een kopersmarkt omdat er een
overvloed aan producten kwam. Er was sprake van overproductie en
overcapaciteit en de onderneming moest meer moeite doen om alle
producten te verkopen.
Kopersmarkt:
Het aanbod is groter dan de vraag en de aanbieder moet moeite doen om
zijn producten te verkopen.
4. Marketingoriëntatie
Het uitgangspunt:
De ondernemer richt zich steeds meer op de markt door de wensen en
verlangens van de afnemers in het ondernemingsbeleid centraal te stellen.
De ondernemer probeert zoveel mogelijk kennis te verkrijgen door middel
van een marktonderzoek.
5. Maatschappelijke oriëntatie
Het uitgangspunt:
Niet alleen rekening houden met de belangen van de afnemer maar ook
met die van de hele maatschappij. Bescherming van het milieu speelt
hierbij een belangrijke rol.
Soorten marketing
Industriële/business-to-business marketing (b-to-b):
De marketing gericht op de industriële afnemers (Business marketing).
Consumentenmarketing (b-to-c):
De marketing gericht op de consument.
Belangrijke verschillen ↑:
1. Verschil in aantal en omvang van de afnemers: het aantal consumenten is
groter dan het aantal industriële afnemers, de grote van de orders is groter
bij industriële afnemers.
2. Consumentenmarketing = verspreide geografische vraag
Industriële marketing = geografisch geconcentreerde vraag
3. Industriële afnemers hebben een langdurigere relatie
4. Consumenten zijn autonoom (kiezen zelfstandig).
De vraag van bedrijven is afhankelijk van de vraag naar hun producten.
5. Aankoopbeslissing bij consumenten is emotioneel en bij bedrijven
rationeel.
DMU:
Decision making unit. Bij de aankoop door bedrijven zijn vaak meerdere mensen
betrokken.
Gatekeeper:
Degene die over alle informatie van de leveranciers beschikt.
Reciprociteit:
Als leverancier en afnemer over en weer producten van elkaar afnemen.
, Handelsmarketing (trade marketing):
Marketing gericht op de distribuanten, zoals detailhandel en groothandel.
Vb. Douwe Egberts die zich niet alleen richt op de consument maar ook op de
Albert Heijn en Jumbo.
Relatiemarketing:
Om tot een hechte relatie te komen tussen de aanbieder en de consumenten
wordt er gebruik gemaakt van klantenbestanden. De drie R’s spelen hierbij een
belangrijke rol: ruil, relatie, reputatie.
Direct marketing:
Als een aanbieder zijn goederen of diensten rechtstreeks, dus zonder
tussenkomst van grossiers of detaillisten, aan de consumenten verkoopt.
Overheidsmarketing:
De overheid heeft aan burgers uit te leggen wat men doet en welke wijzigingen
er zijn en waarom deze wijzigingen gemaakt zijn. Zo maakt de Belastingdienst
regelmatig reclame op radio, tv en internet en zullen gemeentes uit moeten
leggen waar de afvalstoffenheffingen en OZB-opbrengsten aan worden
uitgegeven. Ook verkiezingsprogramma’s van politieke partijen kunnen als een
vorm van marketing worden beschouwd
Not-for-profitmarketing:
het gaat om de marketingactiviteiten van organisaties die geen winstoogmerk
hebben. Denk hierbij aan organisaties zoals goede doelen, Veilig Verkeer
Nederland, musea en ziekenhuizen. Vaak leven deze organisaties op subsidies
en/of giften van anderen om de kosten te kunnen dekken en hebben vaak een
maatschappelijk doel.
1.4
Microniveau (klein):
Bij één bedrijf.
Mesoniveau (middelgroot):
Bij branches of bedrijfstakken.
Macroniveau (groot):
Bij een heel gebied of land.
Interne omgevingsfactoren (micro):
Liggen binnen één bedrijf.
De productiecapaciteit:
De maximale hoeveelheid producten die een bedrijf binnen een bepaalde
periode kan vervaardigen.
De financiering:
Voor het aanschaffen van kostbare machines voor vervanging of
vernieuwing. Indien het bedrijf het geld hiervoor niet heeft moet er
geleend worden.
De marketingmix:
De 4 p’s: product, prijs, plaats, promotie goed op elkaar afstemmen.