A&I TENTAMEN PERIODE B
De student wordt in staat geacht om basisvaardigheden in kwantitatieve data-analyse aan te
kunnen tonen door kwantitatieve date te analyseren.
TEKENS binnen kwantitatieve data-analyse
SPREIDING
Centrummaten
Mediaan= de getallen reeks in de juiste volgorde zetten en daarna het middelste
getal uit de rij.
Gemiddelde= alle getallen bij elkaar optellen en delen door het aantal getallen (
μ=mu griekse letter ¿
Modus= de meest voorkomende in de reeks/set variabelen
Vaak levert een centrummaat te weinig informatie op daardoor wordt er gebruik gemaakt
van spreidingsmaten
= Vertelt hoe de waarnemingen liggen t.o.v. elkaar. Laat ook zien hoe breed de piek is of hoe
gepiekt de diagram is. Er zijn er 4 spreidingsmaten:
Variatiebreedte
Interkwartielafstand
Variantie
Standaarddeviatie (standaardafwijking)
Variatiebreedte
= De hele bandbreedte van de waarnemingen, van het min. tot het max. Oftewel het verschil
tussen de minimum- en maximumscore in een set variabelen.
Max. score – min.score
VB. de minimumleeftijd is 18 jaar en de maximumleeftijd is 65 jaar dan 65-18= 47
Dus een bandbreedte van 47 jaar (niet de leeftijd 47 maar de jaren ertussen bij elkaar
opgeteld).
Extra toelichting meetniveau’s
Ordinaal= variabelen met een rangorde (ORDE in ORDinaal) waar niet mee gerekend
kan worden (kwalitatief)
Opleidingsniveau
, Sociaaleconomische status
Mate van tevredenheid met bepaalde zaken en meningen over bepaalde
onderwerpen bijv. helemaal oneens tot helemaal oneens
Interval= variabelen waarmee beperkt gerekend kan worden (kwantitatief). Twee
gelijke categorieën die numeriek en continu zijn> elke waarden tussen twee punten is
mogelijk.
Temperatuur
IQ
Kent twee beperkingen:
o Natuurlijk nulpunt door afspraak (dus geen natuurlijke nulpunten)
o In statische (statistiek) niet in verhouding met elkaar
Likertschaal binnen ordinaal= een intervalmeetniveau toekennen aan variabelen die
oorspronkelijk op ordinaal meetniveau zijn gemeten.
Kan items in een totaalscore samenvoegen door:
somscore= de scores op de afzonderlijke beweringen bij elkaar op te tellen
meanscore= het gemiddelde te nemen.
De totaalscore wordt op intervalniveau geanalyseerd.
Ratio= variabelen op het hoogste meetniveau waarmee gerekend kan worden omdat
de intervallen gelijk zijn en een (absoluut) nulpunt kennen (numeriek en continu,
kwantitatief).
Beschikken over een natuurlijk nulpunt en betekenisvolle verhouding =
verhouding tussen twee waarden te berekenen. bijv.
Aantal arbeidsuren
Inkomen in euro’s
Gewicht ik grammen
Leeftijd in jaren
Interkwartielafstand
= De maat waarbij je kijkt naar de middelste 50% van de verdeling.
Gebruikt bij variabelen vanaf ordinaal meetniveau
, Als je kijkt naar een set continue variabelen waar uitschieters bij zitten, tellen de
uitschieters niet mee omdat die buiten de middelste 50% vallen.
In een boxdiagram (met boxplot) wordt de verdeling in 4 gelijke stukken verdeeld (de
kwartielen, elke 25% van de waarneming) > het verschil tussen kwartiel 3 (Q3, 75%)
en kwartiel 1 (Q1, 25%) is de kwartielafstand (Q3-Q1)
VB.
Variantie
= Het gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde. Wat je afwijkt van het
gemiddelde.
Zegt iets over hoe waarnemingen verspreid liggen (afstand) van alle waarnemingen
t.o.v. het gemiddelde.
Bruikbaar bij de meetniveau ’s interval en ratio (kwantitatief)
Uitgedrukt in 1 getal
Twee varianties
o Populatievariantie
o Steekproefvariantie
Verklaarde variantie
= de hoeveelheid in Y (de afhankelijke variabele(n)) afwijkt van het gemiddelde (variantie Y)
die wordt verklaard door X (de onafhankelijke variabele(n)).
Populatievariantie
N
1
N
Formule: σ = N ∑ ( χ i−μ) of
2 2 ∑ ( χ i −μ)2
2 i−1
i−1 σ =
N
σ 2 = populatievariantie.
o De notatie die wordt gebruikt als de verdeling van de populatie bekend is
o Bij een onbekende verdeling wordt de steekproefvariantie gebruikt ( S2 )
( χ i −μ)2 = voor elke waarneming het verschil tussen een waarneming en het
gemiddelde wordt genomen, in het kwadraat want neutraliseert
o Voor de populatie wordt de schrijfwijze mu genomen ( μ )
De student wordt in staat geacht om basisvaardigheden in kwantitatieve data-analyse aan te
kunnen tonen door kwantitatieve date te analyseren.
TEKENS binnen kwantitatieve data-analyse
SPREIDING
Centrummaten
Mediaan= de getallen reeks in de juiste volgorde zetten en daarna het middelste
getal uit de rij.
Gemiddelde= alle getallen bij elkaar optellen en delen door het aantal getallen (
μ=mu griekse letter ¿
Modus= de meest voorkomende in de reeks/set variabelen
Vaak levert een centrummaat te weinig informatie op daardoor wordt er gebruik gemaakt
van spreidingsmaten
= Vertelt hoe de waarnemingen liggen t.o.v. elkaar. Laat ook zien hoe breed de piek is of hoe
gepiekt de diagram is. Er zijn er 4 spreidingsmaten:
Variatiebreedte
Interkwartielafstand
Variantie
Standaarddeviatie (standaardafwijking)
Variatiebreedte
= De hele bandbreedte van de waarnemingen, van het min. tot het max. Oftewel het verschil
tussen de minimum- en maximumscore in een set variabelen.
Max. score – min.score
VB. de minimumleeftijd is 18 jaar en de maximumleeftijd is 65 jaar dan 65-18= 47
Dus een bandbreedte van 47 jaar (niet de leeftijd 47 maar de jaren ertussen bij elkaar
opgeteld).
Extra toelichting meetniveau’s
Ordinaal= variabelen met een rangorde (ORDE in ORDinaal) waar niet mee gerekend
kan worden (kwalitatief)
Opleidingsniveau
, Sociaaleconomische status
Mate van tevredenheid met bepaalde zaken en meningen over bepaalde
onderwerpen bijv. helemaal oneens tot helemaal oneens
Interval= variabelen waarmee beperkt gerekend kan worden (kwantitatief). Twee
gelijke categorieën die numeriek en continu zijn> elke waarden tussen twee punten is
mogelijk.
Temperatuur
IQ
Kent twee beperkingen:
o Natuurlijk nulpunt door afspraak (dus geen natuurlijke nulpunten)
o In statische (statistiek) niet in verhouding met elkaar
Likertschaal binnen ordinaal= een intervalmeetniveau toekennen aan variabelen die
oorspronkelijk op ordinaal meetniveau zijn gemeten.
Kan items in een totaalscore samenvoegen door:
somscore= de scores op de afzonderlijke beweringen bij elkaar op te tellen
meanscore= het gemiddelde te nemen.
De totaalscore wordt op intervalniveau geanalyseerd.
Ratio= variabelen op het hoogste meetniveau waarmee gerekend kan worden omdat
de intervallen gelijk zijn en een (absoluut) nulpunt kennen (numeriek en continu,
kwantitatief).
Beschikken over een natuurlijk nulpunt en betekenisvolle verhouding =
verhouding tussen twee waarden te berekenen. bijv.
Aantal arbeidsuren
Inkomen in euro’s
Gewicht ik grammen
Leeftijd in jaren
Interkwartielafstand
= De maat waarbij je kijkt naar de middelste 50% van de verdeling.
Gebruikt bij variabelen vanaf ordinaal meetniveau
, Als je kijkt naar een set continue variabelen waar uitschieters bij zitten, tellen de
uitschieters niet mee omdat die buiten de middelste 50% vallen.
In een boxdiagram (met boxplot) wordt de verdeling in 4 gelijke stukken verdeeld (de
kwartielen, elke 25% van de waarneming) > het verschil tussen kwartiel 3 (Q3, 75%)
en kwartiel 1 (Q1, 25%) is de kwartielafstand (Q3-Q1)
VB.
Variantie
= Het gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde. Wat je afwijkt van het
gemiddelde.
Zegt iets over hoe waarnemingen verspreid liggen (afstand) van alle waarnemingen
t.o.v. het gemiddelde.
Bruikbaar bij de meetniveau ’s interval en ratio (kwantitatief)
Uitgedrukt in 1 getal
Twee varianties
o Populatievariantie
o Steekproefvariantie
Verklaarde variantie
= de hoeveelheid in Y (de afhankelijke variabele(n)) afwijkt van het gemiddelde (variantie Y)
die wordt verklaard door X (de onafhankelijke variabele(n)).
Populatievariantie
N
1
N
Formule: σ = N ∑ ( χ i−μ) of
2 2 ∑ ( χ i −μ)2
2 i−1
i−1 σ =
N
σ 2 = populatievariantie.
o De notatie die wordt gebruikt als de verdeling van de populatie bekend is
o Bij een onbekende verdeling wordt de steekproefvariantie gebruikt ( S2 )
( χ i −μ)2 = voor elke waarneming het verschil tussen een waarneming en het
gemiddelde wordt genomen, in het kwadraat want neutraliseert
o Voor de populatie wordt de schrijfwijze mu genomen ( μ )