HET RESULTAAT
heel deze lesbrief is exclusief btw.
HOOFDSTUK 1 | OPBRENGSTEN
De opbrengst (omzet) van een onderneming wordt bepaald door hoeveel er verkocht wordt (afzet) en tegen
welke verkoopprijs.
Formule: afzet x verkoopprijs = opbrengst = omzet. Dit is niet gelijk aan de winst!
1.1 Opbrengsten bij handels- en dienstenondernemingen
De afzet van een onderneming kan in verschillende eenheden worden uitgedrukt, we kunnen hierbij
onderscheid maken tussen verschillende soorten bedrijven:
Handelsonderneming: koopt producten in en verkoopt deze producten weer zonder dat deze
producten een grote verandering hebben ondergaan
→ supermarkt, kledingwinkel.
Dienstverlenende onderneming met omzettingsproces: kopen grondstoffen/hulpstoffen en maken
met behulp van productiemiddelen een nieuw product en verlenen daarnaast diensten.
→ restaurant, internetbedrijf.
Dienstverlenende onderneming zonder omzettingsproces: hebben wel kosten van de te gebruiken
productiemiddelen maar verkopen geen producten.
→ psycholoog, theater.
Productiebedrijf: maken van grondstoffen en hulpstoffen met behulp van productiemiddelen nieuwe
producten om te verkopen.
→ staalfabriek, kunstenaar.
Pure dienstenondernemingen (notaris, personal trainer) rekenen een arbeidsuurtarief → zij verkopen in feite
uren aan hun klanten. Ze werken met het gefactureerd uurtarief = het arbeidsuurtarief + opslag bedrijfskosten
+ winstopslag.
Het arbeidsuurtarief is vooral gebaseerd op het gewenste bruto jaarsalaris gedeeld door het aantal uren werk.
Afhankelijk van ervaring, opleiding, concurrentie, etc. kan dit hoger of lager zijn. Omdat dienstenonderneming
vaak nog andere bedrijfskosten hebben, komt bovenop het arbeidsuurtarief een toeslag of opslag voor
bijkomende kosten.
→ De opbrengst is hier gelijk aan het gefactureerde uurtarief (prijs) x het aantal gewerkte uren (afzet).
1.2 Belasting toegevoegde waarde
Over de goederen die een ondernemer verkoopt, moeten de consumenten btw (belasting toegevoegde
waarde) betalen. De btw die de ondernemer ontvangt van de consumenten, moet hij betalen aan de
belastingdienst → te betalen btw. Aan het eind van elk kwartaal maakt de ondernemer een overzicht van de
btw die hij heeft ontvangen, deze moet hij betalen aan de fiscus (belastingdienst).
HOOFDSTUK 2 | KOSTEN
, Kosten zijn de in geld uitgedrukte waarde van de opgeofferde productiemiddelen die noodzakelijk en
onvermijdbaar zijn voor de productie van goederen en diensten → wat het kost om een product te leveren.
De kosten worden, net als de opbrengst, exclusief btw berekend.
2.1 Belasting toegevoegde waarde
Net als alle consumenten moet ook de ondernemer bij inkoop van goederen of diensten btw betalen. De btw
die hij betaalt bij de inkopen die hij bedrijfsmatig doet, mag hij terugvorderen bij de fiscus → te vorderen btw.
2.2 Variabele kosten
Bij proportionele variabele kosten stijgen of dalen de variabele kosten recht evenredig met de productie- of
verkoopomvang. De variabele kosten per eenheid product of dienst zijn dan constant.
Inkoopwaarde van de omzet
De inkoopwaarde van de omzet (= inkoopwaarde van de verkopen) is het bedrag dat is betaald voor de
producten die in een bepaalde periode verkocht zin. Door een verkoop neemt de voorraad af en deze afname
van bezittingen van de ondernemer beschouwen we als kosten. De inkoopwaarde van de omzet is meestal niet
gelijk aan de inkopen.
→ Inkoopwaarde van de omzet = inkoopprijs x afzet.
Grond- en hulpstoffen
Bij productiebedrijven wordt er met behulp van ingekochte grondstoffen en met behulp van hulpstoffen een
product gemaakt. Ook deze grond- en hulpstoffen kunnen toe- en afnemen als de afzet verandert.
Grondstoffen zie je terug in het eindproduct, hulpstoffen niet.
De kosten van arbeid
De kosten van arbeid kunnen variabel als constant zijn. Ze zijn variabel als ze mee veranderen met de afzet (bv.
bij stukloon), maar vaak ontvangen werknemers een vast salaris die onafhankelijk is van de hoeveelheid werk
die ze verrichten.
Bij dienstverlenende ondernemingen wordt gewerkt met een tarief per gewerkt uur: het arbeidsuurtarief (niet
hetzelfde als het factuurtarief dat per gewerkt uur aan de consument in rekening gebracht wordt). Het
factuurtarief = arbeidsuurtarief + opslag bedrijfskosten + winstopslag.
Overige variabele bedrijfskosten
De overige variabele bedrijfskosten zijn de andere bedrijfskosten die ook mee veranderen met de afzet of
opbrengst van de onderneming, maar niet passen in de bovenstaande categorieën.
2.3 Constante kosten
We spreken van constante kosten als deze kosten niet veranderen doordat er meer of minder afzet of
opbrengst is. De constante kosten zijn dus onafhankelijk van de afzet en/of opbrengst.
De kosten van grond
Grond is een eeuwigdurend productiemiddel waarop geen afschrijvingen plaatsvinden, omdat de grond niet in
waarde afneemt. Wordt de grond gebruikt voor het winnen van delfstoffen, dan moet hier natuurlijk wel op
worden afgeschreven. Omdat er bij een afschrijving sprake is van een afname van de waarde van de bezittingen
van ondernemer zonder dat daarbij iets terug wordt ontvangen, spreken we van afschrijvingskosten.
De kosten van arbeid
heel deze lesbrief is exclusief btw.
HOOFDSTUK 1 | OPBRENGSTEN
De opbrengst (omzet) van een onderneming wordt bepaald door hoeveel er verkocht wordt (afzet) en tegen
welke verkoopprijs.
Formule: afzet x verkoopprijs = opbrengst = omzet. Dit is niet gelijk aan de winst!
1.1 Opbrengsten bij handels- en dienstenondernemingen
De afzet van een onderneming kan in verschillende eenheden worden uitgedrukt, we kunnen hierbij
onderscheid maken tussen verschillende soorten bedrijven:
Handelsonderneming: koopt producten in en verkoopt deze producten weer zonder dat deze
producten een grote verandering hebben ondergaan
→ supermarkt, kledingwinkel.
Dienstverlenende onderneming met omzettingsproces: kopen grondstoffen/hulpstoffen en maken
met behulp van productiemiddelen een nieuw product en verlenen daarnaast diensten.
→ restaurant, internetbedrijf.
Dienstverlenende onderneming zonder omzettingsproces: hebben wel kosten van de te gebruiken
productiemiddelen maar verkopen geen producten.
→ psycholoog, theater.
Productiebedrijf: maken van grondstoffen en hulpstoffen met behulp van productiemiddelen nieuwe
producten om te verkopen.
→ staalfabriek, kunstenaar.
Pure dienstenondernemingen (notaris, personal trainer) rekenen een arbeidsuurtarief → zij verkopen in feite
uren aan hun klanten. Ze werken met het gefactureerd uurtarief = het arbeidsuurtarief + opslag bedrijfskosten
+ winstopslag.
Het arbeidsuurtarief is vooral gebaseerd op het gewenste bruto jaarsalaris gedeeld door het aantal uren werk.
Afhankelijk van ervaring, opleiding, concurrentie, etc. kan dit hoger of lager zijn. Omdat dienstenonderneming
vaak nog andere bedrijfskosten hebben, komt bovenop het arbeidsuurtarief een toeslag of opslag voor
bijkomende kosten.
→ De opbrengst is hier gelijk aan het gefactureerde uurtarief (prijs) x het aantal gewerkte uren (afzet).
1.2 Belasting toegevoegde waarde
Over de goederen die een ondernemer verkoopt, moeten de consumenten btw (belasting toegevoegde
waarde) betalen. De btw die de ondernemer ontvangt van de consumenten, moet hij betalen aan de
belastingdienst → te betalen btw. Aan het eind van elk kwartaal maakt de ondernemer een overzicht van de
btw die hij heeft ontvangen, deze moet hij betalen aan de fiscus (belastingdienst).
HOOFDSTUK 2 | KOSTEN
, Kosten zijn de in geld uitgedrukte waarde van de opgeofferde productiemiddelen die noodzakelijk en
onvermijdbaar zijn voor de productie van goederen en diensten → wat het kost om een product te leveren.
De kosten worden, net als de opbrengst, exclusief btw berekend.
2.1 Belasting toegevoegde waarde
Net als alle consumenten moet ook de ondernemer bij inkoop van goederen of diensten btw betalen. De btw
die hij betaalt bij de inkopen die hij bedrijfsmatig doet, mag hij terugvorderen bij de fiscus → te vorderen btw.
2.2 Variabele kosten
Bij proportionele variabele kosten stijgen of dalen de variabele kosten recht evenredig met de productie- of
verkoopomvang. De variabele kosten per eenheid product of dienst zijn dan constant.
Inkoopwaarde van de omzet
De inkoopwaarde van de omzet (= inkoopwaarde van de verkopen) is het bedrag dat is betaald voor de
producten die in een bepaalde periode verkocht zin. Door een verkoop neemt de voorraad af en deze afname
van bezittingen van de ondernemer beschouwen we als kosten. De inkoopwaarde van de omzet is meestal niet
gelijk aan de inkopen.
→ Inkoopwaarde van de omzet = inkoopprijs x afzet.
Grond- en hulpstoffen
Bij productiebedrijven wordt er met behulp van ingekochte grondstoffen en met behulp van hulpstoffen een
product gemaakt. Ook deze grond- en hulpstoffen kunnen toe- en afnemen als de afzet verandert.
Grondstoffen zie je terug in het eindproduct, hulpstoffen niet.
De kosten van arbeid
De kosten van arbeid kunnen variabel als constant zijn. Ze zijn variabel als ze mee veranderen met de afzet (bv.
bij stukloon), maar vaak ontvangen werknemers een vast salaris die onafhankelijk is van de hoeveelheid werk
die ze verrichten.
Bij dienstverlenende ondernemingen wordt gewerkt met een tarief per gewerkt uur: het arbeidsuurtarief (niet
hetzelfde als het factuurtarief dat per gewerkt uur aan de consument in rekening gebracht wordt). Het
factuurtarief = arbeidsuurtarief + opslag bedrijfskosten + winstopslag.
Overige variabele bedrijfskosten
De overige variabele bedrijfskosten zijn de andere bedrijfskosten die ook mee veranderen met de afzet of
opbrengst van de onderneming, maar niet passen in de bovenstaande categorieën.
2.3 Constante kosten
We spreken van constante kosten als deze kosten niet veranderen doordat er meer of minder afzet of
opbrengst is. De constante kosten zijn dus onafhankelijk van de afzet en/of opbrengst.
De kosten van grond
Grond is een eeuwigdurend productiemiddel waarop geen afschrijvingen plaatsvinden, omdat de grond niet in
waarde afneemt. Wordt de grond gebruikt voor het winnen van delfstoffen, dan moet hier natuurlijk wel op
worden afgeschreven. Omdat er bij een afschrijving sprake is van een afname van de waarde van de bezittingen
van ondernemer zonder dat daarbij iets terug wordt ontvangen, spreken we van afschrijvingskosten.
De kosten van arbeid