werkelijkheid
Probleem 1 – Anorexia
Bron – Boek – Handboek klinische ontwikkelingspsychologie – Prins & Braet – Hoofdstuk:
Eetproblemen in de adolescentie.
De DSM-criteria voor anorexia nervosa: Anorexia nervosa, dat
voornamelijk adolescente meisjes en jonge vrouwen treft, wordt
gekarakteriseerd door een verstoord lichaamsbeeld en excessief diëten
wat tot ernstig gewichtsverlies leidt, met intense angst om dik te worden.
De criteria zijn:
A. Het beperken van de energie-inname ten opzichte van de
energiebehoefte, resulterend in een significant te laag
lichaamsgewicht voor de leeftijd, de sekse, de groeicurve en de
lichamelijke gezondheid. Een significant te laag gewicht wordt
gedefinieerd als een gewicht dat lager is dan het minimale normale
gewicht of, bij kinderen en adolescenten, een lager gewicht dan wat
minimaal wordt verwacht.
B. Een intense vrees om aan te komen of dik te worden, of
persisterend gedrag dat gewichtstoename verhindert, zelfs al heeft
de betrokkene een significant te laag gewicht.
C. Een stoornis in de manier waarop de betrokkene zijn of haar
lichaamsgewicht of lichaamsvorm ervaart, een onevenredig grote
invloed van het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm op het oordeel
over zichzelf, of persisteren in het niet onderkennen van de ernst
van het actuele lage lichaamsgewicht.
De DSM-criteria voor boulimia nervosa: Boulimia nervosa (BN) wordt
gekarakteriseerd door frequente episodes van overeten (eetbuien)
gevolgd door compenseergedrag, zoals braken (zelf opgewekt) om
gewichtstoename te vermijden.
De criteria zijn:
Herhaalde episoden van eetbuien. Een eetbui-episode wordt
gekenmerkt door beide volgende kenmerken: 1. Het eten in een
bepaalde tijd (bijvoorbeeld twee uur) van een hoeveelheid voedsel
die beduidend groter is dan de meeste mensen in zo’n periode
zouden eten onder gelijke omstandigheden. 2. Het gevoel tijdens de
periode geen beheersing over het eten te hebben (bijvoorbeeld het
gevoel niet te kunnen stoppen of geen beheer te hebben over wat
en hoeveel hij of zij eet);
Herhaald ongepast compensatiegedrag om gewichtstoename tegen
te gaan, bijvoorbeeld het opwekken van braken, misbruik van
laxeermiddelen of andere medicijnen, vasten of overmatige
lichaamsbeweging;