4 verschillende weefseltypes:
• Epitheelweefsel
• Bindweefsel (bijzondere vorm: bloed)
• Spierweefsel
• Zenuwweefsel
Weefsels onder de lichtmicroscoop -> kleine plakjes (coupes)
Snijden van coupes -> microtoom (=een toestel)
Stappenplan voor het bereiken van permanente preparaten:
1. Fixatie (vastleggen v.d. structuur)
2. Inbedding (in een medium)
3. Snijden
4. Kleuring (basische of zure kleursto en; baso el of acido el)
5. Monteren
Artefacten= structuren die niet overeenstemmen met de situatie in de levende cellen en
weefsels (= afwijkingen)
1. EPITHEELWEEFSELS
-> bestaat uit aaneengesloten en nauwelijks of geen tussenliggende stof
-> bedekken de in- en uitwendige oppervlakken van het organisme (= afgrenzing v.
buitenwereld)
Functies:
- Bescherming tegen mechanische of andere inwerkingen van het milieu
- Afgi e van diverse producten (secretie en excretie)
- Opname van de door het lichaam benodigde sto en
Bouw:
- Soms een beschermende hoornlaag
-> rusten steeds op een onderlaag van bindweefsel
-> tussen bindweefsel en epitheelweefsel: basale membraan
-> geen bloedvaten in epithelia, wel vrije zenuwuiteinden
Morfologie op basis van cellagen:
- Éénlagige pseudogestrati eerde epithelia
- Meerlagige epithelia
Morfologie op basis van celvorm:
- Afgeplat
- Kubisch
- Cilindrisch
Morfologie op basis van functies:
- Bedekkende/beschermende
- Secretorische (klierepithelia)
Bedekkende éénlagige epithelia:
-> bestaan uit slechts één laag cellen
-> oppervlaktespecialisaties
Eénlagig afgeplat epitheel (bedekkend):
-> cellen = sterk afgeplat
-> centrale kern vormt verhevenheid
-> komt voor waar nood is aan een verhoogde doorlaatbaarheid voor vloeisto en of gassen