VAARDIGHEDEN EN BENADERINGSWIJZEN MAW
Domein A1: Informatievaardigheden
Je kunt::
1. met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk verschillende typen vragen herkennen en
zelfstandig vragen formuleren.
De verschillende typen vragen zijn: - beschrijvende vragen; - verklarende vragen; - evaluatieve vragen.
Je kunt hierbij onderscheid maken tussen een vraagstelling en een hypothese.
2. uit bronnenmateriaal over een concreet maatschappelijk vraagstuk bruikbare gegevens selecteren.
Je kunt op basis van vakinhoudelijke kennis gericht informatie c.q. gegevens selecteren uit een overmaat
aan informatie. Dit impliceert in het examen dat er sprake moet zijn van informatie van ruime omvang
(informatie-selectievraag).
3. informatie over een concreet maatschappelijk vraagstuk vanuit gegeven of zelf geformuleerde vragen
verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken.
Je kunt vakinhoudelijke kennis inzetten bij het begrijpen van de informatie en/ of het interpreteren van
gegevens. Er is in het examen sprake van een zekere overmaat aan informatie en/ of een veelheid van
gegevens. De informatie en/ of de gegevens worden zoveel mogelijk levensecht gepresenteerd. Het
uitgangsmateriaal is daarbij vrij omvangrijk (informatie-begripsvraag).
Tevens kun je:
− de betrouwbaarheid van informatiebronnen vaststellen door na te gaan:
- waar deze vandaan komt (denk aan b.v. wie is de schrijver?, met welk doel is het geschreven?, de
identiteit of formule van het medium);
- op welke wijze zij is verzameld (denk b.v. aan selectiecriteria, referentiekader);
- hoe zij is weergegeven (denk aan b.v. journalistieke principes toepassen als hoor wederhoor,
scheiding feiten en commentaar, streven naar objectiviteit, juiste weergave van feiten, citaten,
checken van bronnen).
Het begrip betrouwbaarheid heeft betrekking op de vraag of de bron gegevens kan opleveren die als
feitelijk juist kunnen worden beschouwd.
− de representativiteit van informatie vaststellen door meerdere bronnen met elkaar te vergelijken;
representativiteit betekent hier: informatiebronnen geven een juist beeld/ afspiegeling van de
(opvattingen/ kenmerken) van een organisatie, van een groep mensen, van een situatie; eventueel iets
dat typerend is voor een situatie of tijdvak.
− de mate van objectiviteit/ subjectiviteit van informatie vaststellen; zie de leerstof Massamedia.
− feiten onderscheiden van meningen, van vooroordelen en van stereotypen; zie de leerstof Massamedia.
− aan de hand van de begrippen selectieve perceptie en referentiekader beargumenteren welke factoren
een objectieve weergave van de maatschappelijke werkelijkheid in de weg kunnen staan; zie de leerstof
Massamedia.
− maatstaven aanleggen voor het zo objectief mogelijk omgaan met informatie: juiste weergave van feiten,
citaten e.d. ; meerdere bronnen gebruiken; onbevooroordeeld: onderzoek met open vizier; hoor en
wederhoor toepassen/ belichting van verschillende kanten; scheiden van feiten en meningen; het
feitenmateriaal controleren en bronnen checken; toegankelijk voor doelgroep qua taal, stijl, vorm;
herkenbaar als genre (nieuws, achtergrond, analyse, commentaar).
− elementaire statistische informatie interpreteren.
− met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk een beargumenteerd standpunt formuleren.
1 Samenvatting/eindtermen vaardigheden en benaderingswijzen
Domein A1: Informatievaardigheden
Je kunt::
1. met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk verschillende typen vragen herkennen en
zelfstandig vragen formuleren.
De verschillende typen vragen zijn: - beschrijvende vragen; - verklarende vragen; - evaluatieve vragen.
Je kunt hierbij onderscheid maken tussen een vraagstelling en een hypothese.
2. uit bronnenmateriaal over een concreet maatschappelijk vraagstuk bruikbare gegevens selecteren.
Je kunt op basis van vakinhoudelijke kennis gericht informatie c.q. gegevens selecteren uit een overmaat
aan informatie. Dit impliceert in het examen dat er sprake moet zijn van informatie van ruime omvang
(informatie-selectievraag).
3. informatie over een concreet maatschappelijk vraagstuk vanuit gegeven of zelf geformuleerde vragen
verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken.
Je kunt vakinhoudelijke kennis inzetten bij het begrijpen van de informatie en/ of het interpreteren van
gegevens. Er is in het examen sprake van een zekere overmaat aan informatie en/ of een veelheid van
gegevens. De informatie en/ of de gegevens worden zoveel mogelijk levensecht gepresenteerd. Het
uitgangsmateriaal is daarbij vrij omvangrijk (informatie-begripsvraag).
Tevens kun je:
− de betrouwbaarheid van informatiebronnen vaststellen door na te gaan:
- waar deze vandaan komt (denk aan b.v. wie is de schrijver?, met welk doel is het geschreven?, de
identiteit of formule van het medium);
- op welke wijze zij is verzameld (denk b.v. aan selectiecriteria, referentiekader);
- hoe zij is weergegeven (denk aan b.v. journalistieke principes toepassen als hoor wederhoor,
scheiding feiten en commentaar, streven naar objectiviteit, juiste weergave van feiten, citaten,
checken van bronnen).
Het begrip betrouwbaarheid heeft betrekking op de vraag of de bron gegevens kan opleveren die als
feitelijk juist kunnen worden beschouwd.
− de representativiteit van informatie vaststellen door meerdere bronnen met elkaar te vergelijken;
representativiteit betekent hier: informatiebronnen geven een juist beeld/ afspiegeling van de
(opvattingen/ kenmerken) van een organisatie, van een groep mensen, van een situatie; eventueel iets
dat typerend is voor een situatie of tijdvak.
− de mate van objectiviteit/ subjectiviteit van informatie vaststellen; zie de leerstof Massamedia.
− feiten onderscheiden van meningen, van vooroordelen en van stereotypen; zie de leerstof Massamedia.
− aan de hand van de begrippen selectieve perceptie en referentiekader beargumenteren welke factoren
een objectieve weergave van de maatschappelijke werkelijkheid in de weg kunnen staan; zie de leerstof
Massamedia.
− maatstaven aanleggen voor het zo objectief mogelijk omgaan met informatie: juiste weergave van feiten,
citaten e.d. ; meerdere bronnen gebruiken; onbevooroordeeld: onderzoek met open vizier; hoor en
wederhoor toepassen/ belichting van verschillende kanten; scheiden van feiten en meningen; het
feitenmateriaal controleren en bronnen checken; toegankelijk voor doelgroep qua taal, stijl, vorm;
herkenbaar als genre (nieuws, achtergrond, analyse, commentaar).
− elementaire statistische informatie interpreteren.
− met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk een beargumenteerd standpunt formuleren.
1 Samenvatting/eindtermen vaardigheden en benaderingswijzen