druk’
Hoofdstuk 16
Angle of respose: de steilste hoek waaronder het materiaal zich kan
bevinden zonder te gaan glijden.
Avalanche: massabeweging die beweegt als een turbulente wolk
Creep: het langzaam naar beneden schuiven van de bovenste laag
regoliet
Debris flow: een mudflow met grotere stukken erin
Failure surface: hierlangs schuift de slump
Head scarp: het stukje van de failure surface dat zichtbaar wordt door de
slump bovenin
Lahar: een mudflow van vulkanisch as dat zich mengt met (smelt)water
Landslide: massabeweging van regoliet of stenen (type materiaal,
snelheid, karakter, land/water)
Liquefaction: wat een solide ondergrond lijkt, gaat bewegen als een
vloeistof
Mass movement: het bewegen van materiaal downslope
Mudflow: een flow van modder langs een helling
Natural hazards: gevaarlijke aspecten van de leefomgeving
Quick clay: voorbeeld van liquefaction
Regolith: los sediment of puin (debris)
Riprap: losse stenen langs het strand tegen undercutting van de kust
Rock glacier: een lichaam van stenen omhuld door een matrix van ijs
Rockslide: een downslope beweging van alleen steen. (debris slide met
regoliet)
Slope failure: het moment dat het materiaal op de helling gaat glijden
Slump: een langzame downslope beweging van regoliet waarbij het geen
puin wordt
Snow avalanche: chaotische klomp sneeuw downslope
Solifluction: creep in koude boomloze toendra-gebieden
Submarine debris flow: de massa valt helemaal uit elkaar als het naar
beneden glijdt
Submarine slump: de massa blijft een geheel als het naar beneden glijdt
Substrate: het materiaal onder het aardoppervlak
Talus: een fan van stenen na een slide, voor de stenen helemaal beneden
zijn
Turbidity current: een vorm van submarine slump, maar sediment lost op
in water
Undercutting: het wegvallen van de ondergrond van een klif of
overhanging
, Hoofdstuk 17
Abrasion: door zand in het water als schuurpapier langs de rand van
kanaal
Alluvial fan: een uitwaaier van sediment
Alluvium: het sediment wat door de stroom wordt meegevoerd
Annual probability: percentage dat de stroom dat jaar overstroomt
Antecedent stream: houdt zijn eigen route aan en snijdt door nieuwe
obstakels
Bar: afzettingen in de stroom zelf
Base level: laagste punt van een stroom (local … is upstream, ultimate …
is zeelevel)
Bed load: de bodem van de stroom bestaat uit grote deeltjes (zand,
stenen etc)
Braided stream: stroomt tussen de bars van zand of grind door
Canyon: als de randen steil zijn spreken we van een canyon
Capacity: de hoeveel sediment die de stroom mee kan voeren
Channel: een lange goot of lagergelegen deel (rand=bank
bodem=streambed lengte=reach)
Competence: de grote van de korrel die de stroom kan meevoeren
Continental divide: drainage divide met verschillende oceanen als
afwatering
Delta: het deel waar de rivier afremt, sediment afzet en in de zee stroomt
Discharge: volume water wat een bepaald punt in een bepaalde tijd
passeert
Dissolved load: de opgeloste ionen van een stroom water
Distributary: een fan van kleinere stroompjes, een soort uitwaaier van
kleine rivieren
Downcutting: door het stromen van water wordt de geul dieper waar het
in stroomt
Drainage divide: een hoge ridge die de netwerken van elkaar scheidt
Drainage network: alle stromen samen vormen een netwerk van
afwatering
Dendretic (vorm als een boom)
Radial (vulkaan)
Rectangular (volgen de joints, loodrecht op elkaar lopende
stromen)
Trellis (scheidt door een resistant ridge heen)
Parallel
Drainage reversal: als de stroom de andere kant op gaat stromen
Ephemeral stream: een stroom die maar deel van het jaar stroomt, losing
stream, dry wash
Flash flood: als een vloed zo snel opkomt dat je er bijna niet aan kan
ontkomen
Flood: wanneer de stroom uit het channel breekt en het omliggende land
overspoelt
Floodplain: het overstromingsgebied
Floodway: regio waar een sterk overstromingsgevaar is