Module 3 (handige voorkennis) .............................................................................................................. 2
Hoorcollege 1 (06-03) .............................................................................................................................. 3
Hoorcollege 2 (09-03) ............................................................................................................................ 14
Hoofdstuk 12 deel A .......................................................................................................................... 14
Van eiwitten naar mitochondriën ................................................................................................. 18
Samenvatting deel A...................................................................................................................... 22
Hoofdstuk 12 deel B .......................................................................................................................... 23
Hoorcollege 3 ........................................................................................................................................ 25
Vervolg hoofdstuk 12 deel B ............................................................................................................. 25
Lokalisatie eiwitten via ER ............................................................................................................. 25
Glycosylering ................................................................................................................................. 28
Lipide-synthese.............................................................................................................................. 29
Samenvatting deel B ...................................................................................................................... 30
Hoofdstuk 13, deel A (intracellulair vesicle transport)...................................................................... 31
Hoorcollege 4 (16-03) ............................................................................................................................ 33
Vervolg Hoofdstuk 13, deel A ............................................................................................................ 33
Hoe worden COPII vesicles gemaakt? ........................................................................................... 33
Hoe worden COPI vesicles gemaakt? ............................................................................................ 33
Hoe worden clathrin vesicles gemaakt? ........................................................................................ 34
Samenvatting................................................................................................................................. 36
Hoofdstuk 13 deel B .......................................................................................................................... 37
,Module 3 (handige voorkennis)
Actiepotentiaal
,Hoorcollege 1 (06-03)
Zie ook PowerPoint slides (in notities staan aantekeningen van professor).
Wanneer microtubuli instabiel zijn is er geen transport van eiwitten en blaasjes met
neurotransmitters naar het axon uiteinde.
• Transporter: transporteren iets over het membraan heen
• Kanalen: lekkage gaten in het membraan die soms gereguleerd worden en soms een
difussiefunctie hebben
• Exchange eiwit: wisselt natrium en kalium uit
Alles van transport gaat over (geladen) ionen.
Vaak zijn ionen in de cel negatief geladen.
Hydrofoob kan door het membraan heen.
Hoe groter en meer geladen de deeltjes zijn, hoe moeilijker ze door het membraan gaan.
Ionen kunnen er niet doorheen.
Het gaat hierbij om een SYNTHESTISCHE lipide bilaag.
In biologische membranen (natuurlijk) neemt de permeabiliteit van ionen en water toe. Dit komt
door de transporters en kanalen.
Een transporter kan 2 kanten op, maar een kanaal niet.
, ^
Passief transport: hoge concentratie aan ene kant → makkelijk om te diffunderen naar de lage
concentratie (passief transport). Geldt voor zowel diffusie, kanaal als transporter.
Actief transport: van lage naar hoge concentratie. Hiervoor is energie nodig (vooral ATP).
Er is ook een elektrochemische gradiënt door ladingsverschil. Dit kan energie leveren voor transport.
De positieve ionen kunnen door het membraan met de gradiënt mee, maar de negatieve niet tegen
de gradiënt in (zie afbeelding).