Samenvatting week 4 – Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht
HC 6 – 26 september: Overeenkomsten
Strikwerda nrs. 163-177 (overeenkomsten)
N. Overeenkomsten
163. Literatuur
164. Twee hoofdvragen
Twee hoofdvragen hebben traditioneel het internationale overeenkomstenrecht beheerst:
1. Hebben de contractspartijen de bevoegdheid zelf het op hun internationale overeenkomst
toepasselijke recht aan te wijzen?
2. Welk rechtsstelsel is toepasselijk als de contractspartijen geen rechtskeuze hebben gedaan?
Twee opvattingen m.b.t. de rechtskeuze:
- Er moet worden toegegeven aan de behoefte aan zekerheid met betrekking tot het toepasselijk
recht.
- De rechtskeuze bevoegdheid is rechtstheoretisch lastig te onderbouwen.
De HR aanvaardde in Alnati (NJ 1948, 608) ondubbelzinnig de ruime leer m.b.t. de
rechtskeuzebevoegdheid in het internationale contractenrecht.
Beperkingen:
a) Rechtskeuze is alleen toelaatbaar bij overeenkomst met internationaal karakter.
b) De wet dient zich er niet tegen te verzetten.
a. Dit ziet op de Nederlandse voorrangsregels en op bijzondere conflictregels die
uitdrukkelijk of door hun aard of strekking rechtskeuze geheel of gedeeltelijk
uitsluiten.
c) Buitenlandse voorrangsregels kunnen de rechtskeuze doorbreken.
d) Onzeker is of in de woorden ‘in beginsel’ een vierde beperking kan worden gelezen. In latere
rechtspraak is dit niet gevolgd.
Indien geen rechtskeuze is gedaan is het de vraag wat als objectieve aanknopingsfactor geld.
Traditioneel zijn er twee verwijzingsregels:
I. Het recht van het land waar de overeenkomst is gesloten, de lex loci contractus-regel.
II. Het recht van het land waar de overeenkomst ten uitvoer moet worden gelegd, de lex loci
solutionis-regel.
Geen van beide heeft in Nederland de overhand gekregen.
Eerst gold een open verwijzingsregel: de rechter moet aan de hand van omstandigheden van het geval
vaststellen met welk rechtsstelsel de overeenkomst het nauwst verbonden is. Later gold de leer van de
karakteristieke prestatie.
Leer van de karakteristieke prestatie
» Op een internationale overeenkomst dient het recht van het land waar de contractspartij woont
of gevestigd is die de voor de overeenkomst karakteristieke prestatie moet verrichten van
toepassing.
Over het algemeen is dit niet het betalen van een geldsom.
De HR heeft dit in twee arresten bevestigd.
» Opvallend is dat de HR de leer een open einde gaf: indien er omstandigheden bestaan welke
zodanige aanknopingspunten opleveren met het recht van een ander land, dat recht de
overeenkomst behoort te beheersen.
165. Europese regelingen
Verschillende verdragen:
- EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van
19 juni 1980 (EVO)
HC 6 – 26 september: Overeenkomsten
Strikwerda nrs. 163-177 (overeenkomsten)
N. Overeenkomsten
163. Literatuur
164. Twee hoofdvragen
Twee hoofdvragen hebben traditioneel het internationale overeenkomstenrecht beheerst:
1. Hebben de contractspartijen de bevoegdheid zelf het op hun internationale overeenkomst
toepasselijke recht aan te wijzen?
2. Welk rechtsstelsel is toepasselijk als de contractspartijen geen rechtskeuze hebben gedaan?
Twee opvattingen m.b.t. de rechtskeuze:
- Er moet worden toegegeven aan de behoefte aan zekerheid met betrekking tot het toepasselijk
recht.
- De rechtskeuze bevoegdheid is rechtstheoretisch lastig te onderbouwen.
De HR aanvaardde in Alnati (NJ 1948, 608) ondubbelzinnig de ruime leer m.b.t. de
rechtskeuzebevoegdheid in het internationale contractenrecht.
Beperkingen:
a) Rechtskeuze is alleen toelaatbaar bij overeenkomst met internationaal karakter.
b) De wet dient zich er niet tegen te verzetten.
a. Dit ziet op de Nederlandse voorrangsregels en op bijzondere conflictregels die
uitdrukkelijk of door hun aard of strekking rechtskeuze geheel of gedeeltelijk
uitsluiten.
c) Buitenlandse voorrangsregels kunnen de rechtskeuze doorbreken.
d) Onzeker is of in de woorden ‘in beginsel’ een vierde beperking kan worden gelezen. In latere
rechtspraak is dit niet gevolgd.
Indien geen rechtskeuze is gedaan is het de vraag wat als objectieve aanknopingsfactor geld.
Traditioneel zijn er twee verwijzingsregels:
I. Het recht van het land waar de overeenkomst is gesloten, de lex loci contractus-regel.
II. Het recht van het land waar de overeenkomst ten uitvoer moet worden gelegd, de lex loci
solutionis-regel.
Geen van beide heeft in Nederland de overhand gekregen.
Eerst gold een open verwijzingsregel: de rechter moet aan de hand van omstandigheden van het geval
vaststellen met welk rechtsstelsel de overeenkomst het nauwst verbonden is. Later gold de leer van de
karakteristieke prestatie.
Leer van de karakteristieke prestatie
» Op een internationale overeenkomst dient het recht van het land waar de contractspartij woont
of gevestigd is die de voor de overeenkomst karakteristieke prestatie moet verrichten van
toepassing.
Over het algemeen is dit niet het betalen van een geldsom.
De HR heeft dit in twee arresten bevestigd.
» Opvallend is dat de HR de leer een open einde gaf: indien er omstandigheden bestaan welke
zodanige aanknopingspunten opleveren met het recht van een ander land, dat recht de
overeenkomst behoort te beheersen.
165. Europese regelingen
Verschillende verdragen:
- EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van
19 juni 1980 (EVO)