1. Treatment validity as a unifying construct for identifying learning disabilities
(geldende behandeling voor het identificeren van leerstoornissen)
In 1995 werd een programma ontwikkeld waarin werd voorgesteld dat (a) het niveau van de
prestaties en de reactie op instructie (b) niet werd geoordeeld over speciaal onderwijs voordat de
effecten op regulier onderwijs onderzocht zijn en (c) een speciaal onderwijs programma het leren
moet verbeteren. Deze drie componenten worden in dit artikel heroverwogen.
In de afgelopen jaren is het aantal studenten met leerstoornissen toegenomen tot 50%. Deze
methode is goed verklaard, omdat leerstoornissen een ‘milde’ stoornis omvat. Daarnaast zijn er geen
voorwaarden waaraan de leerstoornis moet voldoen, wat de diagnose subjectief maakt. De
overeenkomstige definitie zit in het falen van leren, de tegenstrijdigheid van intelligentie en
prestatie.
Er is meer bekendheid gekomen over leerstoornissen. Dit komt door de hoge kosten van speciaal
onderwijs en de oververtegenwoordiging van ‘gekleurde’ studenten in het speciaal onderwijs. Dit
laatste kan tevens voortkomen uit het feit dat deze studenten slecht regulier onderwijs hebben
genoten (etc.).
Men wil de effectiviteit van speciaal onderwijs verhogen en de ongelijkheid verminderen. Dit wil men
doen door een aanpak toe te passen waarin gelijktijdig informeren, bevorderen en documenteren
van de noodzaak van speciale behandeling voor de student wordt beoordeeld. Eerst wil men het
regulier onderwijs bevorderen en ervoor zorgen dat er alles is gedaan in het regulier onderwijs om
het kind daar te helpen.
Het treatment vadility model zoals het bedoeld was.
Hypothesen:
- De meeste modellen diagnosticeren te stoornis wanneer de prestatie van de student, in relatie tot
klasgenoten, op een bepaald moment, significant lager is. Bij het treatment model zegt dat speciaal
onderwijs overwogen moet worden wanneer de student niet alleen beneden niveau presteert tov
klasgenoten, maar ook een laag leerniveau de student reageert niet/nauwelijks op de instructie
van de omgeving.
- De capaciteit van studenten varieert; de scholing varieert; dus hierdoor kan een verschil in
presteren ontstaan (1). De verschillen in presteren in een klas laten zien hoezeer de studenten
kunnen profiteren van dezelfde omgeving (2). Deze omstandigheden maken dat de student
waarschijnlijk niet zal veranderen in prestatie als de student speciaal onderwijs zal gaan betreden (3).
Kortom, als een student lager presteert dan zijn/haar klasgenoten, dient men te onderzoeken welke
interventies kunnen worden toegepast.
Fasering:
Fase 1:
Vaststellen of de responsiviteit in het klaslokaal genoeg stimulerend zijn. Deze groei dient vergeleken
te worden met andere klaslokalen in andere steden (etc.). Als blijkt dat het er een genoeg
stimulerende omgeving is komt fase 2.
Fase 2:
Onderzoek naar studenten wiens prestatie en snelheid van verbetering lager zijn dan die van
klasgenoten.
Fase 3:
Er wordt gekeken op welke manier het onderwijs verbetert/ aangepast kan worden, zodat er grotere
groei ontstaat bij het individu. Als dit niet werkt, fase 4.
Fase 4:
Testen van de effectiviteit van speciaal onderwijs voor de student. hieruit komt voort of je een
leerstoornis hebt of niet goed is om deel te nemen aan speciaal onderwijs
CBM bleek een programma dat de bovenstaande informatie juist kon documenteren. Zij bedachten
een programma dat (a) leerkrachten effectief konden gebruiken (b) nauwkeurige, betekenisvolle