Woordenschat communicatievaardigheden
Woord Betekenis Betekenis in context
Abstract Losgemaakt van de Abstract denken los van de toevallige
werkelijkheid werkelijkheid
Accumuleren Opstapelen, verzamelen Zijn schulden accumuleren op elkaar
Accuratesse Nauwkeurigheid Van werkzaamheden grote accuratesse vereisen
Adequaat Overeenstemmend met het Dat is een adequaat voorbeeld.
voorbeeld of met het object
Additief Betrekking hebbend op op- Additieve constante: constante term die erbij
of bijtelling moet worden opgeteld
Ad hoc (Latijn) Voor deze zaak, dit geval, dit Curator ad hoc: voor deze zaak benoemde
specifieke doel curator
Anticiperen Vooruitlopen op Anticiperend autorijden
A priori Van tevoren Iets a priori vastellen
Applicatie Het aanbrengen of Een verbrand aanbrengen is een applicatie
toedienen
Computerprogamma Facebook is een applicatie op de smartphone
Arbitrair Willekeurig Arbitrair te werk gaan
Juridisch Arbitraire bepaling
Archaïsch Behorend tot of betrekking Archaïsch taalgebruik
hebbend op een zeer oud
tijdperk
Auditief Op het gehoor betrekking Een auditief geheugen
hebbend of door het gehoor
werkend
Audiovisueel Zowel op het gehoor als op Audiovisueel onderwijs
het gezicht werkend
Authentiek Eigenhandig geschreven Een authentieke brief
Casus Taalkunde naamval
Geval Zelfmoordcasus
Causaal Oorzakelijk Causaal verband
Citeren Een schrijver zijn werk Hij citeerde uit het werk van Hermans
aanhalen
Cliché Banaal Dat is cliché
Cognitief De kennis betreffend Cognitief contact met de wereld
Colloquium Wetenschappelijke Er vindt een colloquium plaats vanavond
vergadering
Comprimeren In klein bestek Ik heb de producten gecomprimeerd
samenbrengen
= samenpersen
Concessie Gedeeltelijke toegeving aan Concessies doen
de eisen van de tegenpartij
Conform In orde De zaak is conform
Consensus Toestemming Heb ik uw consensus om dit te doen?
Consequent Voortdurend in Een consequente daad
overeenstemming met het
voorafgaande
Consistent Zichzelf gelijk blijvend Consistent gedrag
Constructief Opbouwend, vormend Constructief te werk gaan
Woord Betekenis Betekenis in context
Abstract Losgemaakt van de Abstract denken los van de toevallige
werkelijkheid werkelijkheid
Accumuleren Opstapelen, verzamelen Zijn schulden accumuleren op elkaar
Accuratesse Nauwkeurigheid Van werkzaamheden grote accuratesse vereisen
Adequaat Overeenstemmend met het Dat is een adequaat voorbeeld.
voorbeeld of met het object
Additief Betrekking hebbend op op- Additieve constante: constante term die erbij
of bijtelling moet worden opgeteld
Ad hoc (Latijn) Voor deze zaak, dit geval, dit Curator ad hoc: voor deze zaak benoemde
specifieke doel curator
Anticiperen Vooruitlopen op Anticiperend autorijden
A priori Van tevoren Iets a priori vastellen
Applicatie Het aanbrengen of Een verbrand aanbrengen is een applicatie
toedienen
Computerprogamma Facebook is een applicatie op de smartphone
Arbitrair Willekeurig Arbitrair te werk gaan
Juridisch Arbitraire bepaling
Archaïsch Behorend tot of betrekking Archaïsch taalgebruik
hebbend op een zeer oud
tijdperk
Auditief Op het gehoor betrekking Een auditief geheugen
hebbend of door het gehoor
werkend
Audiovisueel Zowel op het gehoor als op Audiovisueel onderwijs
het gezicht werkend
Authentiek Eigenhandig geschreven Een authentieke brief
Casus Taalkunde naamval
Geval Zelfmoordcasus
Causaal Oorzakelijk Causaal verband
Citeren Een schrijver zijn werk Hij citeerde uit het werk van Hermans
aanhalen
Cliché Banaal Dat is cliché
Cognitief De kennis betreffend Cognitief contact met de wereld
Colloquium Wetenschappelijke Er vindt een colloquium plaats vanavond
vergadering
Comprimeren In klein bestek Ik heb de producten gecomprimeerd
samenbrengen
= samenpersen
Concessie Gedeeltelijke toegeving aan Concessies doen
de eisen van de tegenpartij
Conform In orde De zaak is conform
Consensus Toestemming Heb ik uw consensus om dit te doen?
Consequent Voortdurend in Een consequente daad
overeenstemming met het
voorafgaande
Consistent Zichzelf gelijk blijvend Consistent gedrag
Constructief Opbouwend, vormend Constructief te werk gaan