NEDERLANDS
Argumentatie – VWO – Nieuw Nederlands
, §1 Overtuigen
Ethische manieren om mensen te overtuigen van jouw ideeën zijn:
1. Wederkerigheid
2. Consistentie
3. Sociale bewijskracht
4. Sympathie
5. Autoriteit
6. Schaarste
Als je iemand wilt overtuigen, doe je dit meestal in een betoog. In een betoog benoem je
hetgeen waar je iemand van wilt overtuigen (standpunt) en geef je hier argumenten voor.
Wanneer iemand tegen jouw argumenten in wil gaan, gebeurt dit met een tegenargument op
het standpunt of een weerlegging (= vertellen waarom jouw argument niet sterk is) van jouw
argument.
Feitelijke uitspraken kun je controleren.
Waarderende uitspraken kun je niet controleren.
§2 Argumentatiestructuren
Er zijn drie argumentatiestructuren
1. Enkelvoudige argumentatie
Je geeft hierbij één argument.
2. Nevenschikkende argumentatie
Je geeft hierbij meerdere argumenten. Wanneer de volgorde waarin je de argumenten noemt
niet uitmaakt, spreek je van onafhankelijke nevenschikkende argumentatie. Mocht de
volgorde wel van belang zijn, spreek je van afhankelijke nevenschikkende argumentatie.
3. Onderschikkende argumentatie
Je geeft hierbij argumenten die een argument ondersteunen.
§3 Argumentatieschema’s
Er zijn drie soorten argumentatieschema’s
1. Kenmerken
Voorbeeld: “Alex is niet met de milieuproblematiek bezig, want hij scheidt zijn afval niet.”
Het scheiden van afval zou kenmerkend zijn voor het bezig zijn met het milieu.
2. Vergelijking
Voorbeeld: “Het is niet raar dat het oerwoud op grote schaal in brand wordt gestoken om
meer landbouwgrond te creëren: in West-Europa hebben wij onszelf toch ook moeten
ontwikkelen?”
Argumentatie – VWO – Nieuw Nederlands
, §1 Overtuigen
Ethische manieren om mensen te overtuigen van jouw ideeën zijn:
1. Wederkerigheid
2. Consistentie
3. Sociale bewijskracht
4. Sympathie
5. Autoriteit
6. Schaarste
Als je iemand wilt overtuigen, doe je dit meestal in een betoog. In een betoog benoem je
hetgeen waar je iemand van wilt overtuigen (standpunt) en geef je hier argumenten voor.
Wanneer iemand tegen jouw argumenten in wil gaan, gebeurt dit met een tegenargument op
het standpunt of een weerlegging (= vertellen waarom jouw argument niet sterk is) van jouw
argument.
Feitelijke uitspraken kun je controleren.
Waarderende uitspraken kun je niet controleren.
§2 Argumentatiestructuren
Er zijn drie argumentatiestructuren
1. Enkelvoudige argumentatie
Je geeft hierbij één argument.
2. Nevenschikkende argumentatie
Je geeft hierbij meerdere argumenten. Wanneer de volgorde waarin je de argumenten noemt
niet uitmaakt, spreek je van onafhankelijke nevenschikkende argumentatie. Mocht de
volgorde wel van belang zijn, spreek je van afhankelijke nevenschikkende argumentatie.
3. Onderschikkende argumentatie
Je geeft hierbij argumenten die een argument ondersteunen.
§3 Argumentatieschema’s
Er zijn drie soorten argumentatieschema’s
1. Kenmerken
Voorbeeld: “Alex is niet met de milieuproblematiek bezig, want hij scheidt zijn afval niet.”
Het scheiden van afval zou kenmerkend zijn voor het bezig zijn met het milieu.
2. Vergelijking
Voorbeeld: “Het is niet raar dat het oerwoud op grote schaal in brand wordt gestoken om
meer landbouwgrond te creëren: in West-Europa hebben wij onszelf toch ook moeten
ontwikkelen?”