Samenvatting Colleges Sociale Cognitie
Universiteit Utrecht
Schooljaar 2023-2024
Inhoud
HC1: Kennisclip...................................................................................................................... 1
HC1: Introductie sociale cognitie + sociale waarneming.........................................................6
HC2: Kennisclip...................................................................................................................... 7
HC2: Hoe mensen kennis structureren en opslaan..............................................................11
HC3: Kennisclip.................................................................................................................... 12
HC3: Het gebruik van geactiveerde informatie + selectie en reconstructie van informatie....17
HC4: Kennisclip.................................................................................................................... 20
HC4: Het communiceren van informatie...............................................................................23
HC5: Kennisclip.................................................................................................................... 27
HC5: Attitudes, motivatie en zelfregulatie.............................................................................31
HC6: Kennisclip.................................................................................................................... 33
HC6: Pro-sociaal gedrag......................................................................................................39
HC1: Kennisclip
Sociale cognitie = hoe mensen denken over andere mensen.
Mensen
Hebben intenties en kunnen hun eigen omgeving beïnvloeden.
Hebben cognitie over jou.
Kunnen cognitie aanpassen om jouw te beïnvloeden.
Zijn complex.
Veranderen zich over tijd en situaties.
Hebben minder zichtbare attributies al denken mensen wel attributies aan iemand te
kunnen zien. Ze gaan verder dan de informatie gegeven door de stimulus. Mensen
maken een eigen constructie van hun sociale omgeving. Ze gebruiken hiervoor hun
interpretaties van sociale stimuli. De constructies bevatten meer informatie dan direct
waarneembaar is in werkelijkheid. Deze constructie bepaalt vervolgens gedrag.
Sociale informatie verwerken
Sociale Brain Hypothese (Dunbar) = hoe groter de groep waarin je leeft, des te groter je
neocortex moet zijn.
Mensen moeten stimuli kunnen interpreteren in verschillende contexten. Dit heeft belangrijke
gevolgen voor sociale stimuli. Voorbeeld: mensen met een zwarte huidskleur in een
achterbuurt worden negatiever gezien dan in een kerkcontext.
Voorbeeld onderzoek
Shooter bias. Bottum up informatie wordt geïnterpreteerd met behulp van top down
kennis (kennis over zwarte mensen = agressief).
1
,Basis-idee sociale cognitie
De objectieve werkelijkheid wordt in een subjectieve werkelijkheid vertaald. Je bestaande
kennis verrijkt en beïnvloed de constructie van je subjectieve werkelijkheid.
Gezichten: één van de belangrijkste bronnen van informatie bij eerste indrukken en tijdens
interacties.
Statische gezichten
Bevatten sociale informatie
Direct waar te nemen: gender, leeftijd, aantrekkelijkheid
Maar o.b.v. het gezicht proberen mensen ook persoonlijkheidskenmerken af te leiden:
groepslidmaatschap, seksuele oriëntaties, politieke voorkeur etc.
Fysiognomie = wetenschappers dachten dat het mogelijk is om persoonlijkheidskenmerken
vast te stellen o.b.v. gezicht. Lavater en Lombroso keken naar gezichten van criminelen (18e
en 19e eeuw). Desondanks dit niet lijkt te kloppen laten we ons hier als nog door
beinvloeden.
Consequenties:
Competente gezichten krijgen meer stemmen
Competente en dominante gezichten worden aangenomen als managers bij
succesvollere bedrijven.
Mensen met hogere militaire rang hebben dominante gezichten.
Mensen met onbetrouwbare gezichten:
o Worden minder vaak vertrouw in trust games
o Worden vaker schuldig bevonden
o Worden vaker uit een line-up geselecteerd
o Krijgen extreme veroordelingen.
Volgens onderzoek van Oosterhof & Todorov (2008) lezen we 15 kenmerken af:
2
,Hier werd door Sutherland et al nog aantrekkelijkheid en jeugdigheid aan toegevoegd.
Reverse correlation
Gemiddeldheid wordt vaak in verband gebracht met aantrekkelijkheid omdat gedacht wordt
dat betrouwbaarheid sterk gecorreleerd is met aantrekkelijkheid. = halo effect = What is
Beautiful is Good.
Conclusie onderzoek:
3
, Bij eerste indruk lezen mensen veel af aan het gezicht
Primair: betrouwbaarheid en dominantie
Heeft consequenties voor het echte leven
Maar waarschijnlijk meestal niet heel accuraat
Vergeet niet: gezicht is maar één deel van de input.
Expressies
In 1859 deed Duchenne onderzoek naar gezichtsuitdrukkingen. Duchenne smile: een echte
glimlach, waarbij ook kraaienpootjes te zien zijn.
Silvan Tomkins (1962) dacht dat expressies
discrete emoties onthullen: die zijn direct,
universeel en context afhankelijk. O.b.v. hiervan
heeft Paul Ekman de Basic Emotion Theory
gemaakt: zes basis emoties: blij, boos, verdriet,
angst, walging en verbazing. Volgens de theorie is
er altijd een directe link tussen de interne staat en
universele expressie. Tenzij: Display Rule:
bijvoorbeeld nep glimlachen vanwege sociale
wenselijkheid. Echter is er volgens de theorie wel
een lekkage zichtbaar in micro-expressies.
Facial Action Coding System: een beschrijving
van alle spieren in het gezicht en welke aangespannen worden bij welke emotie.
Voorbeelden
Onderzoek 1: Jack & Garrod 2 verschillende groepen, 1 Westers (WC) en 1 Aziatisch
(EA). Noise (pixels) + Neutral Face + stimulus, vervolgens de vraag welke van de 6 basis
emoties dit is. Bij WC werd er meer onderscheid in de mond gezien en bij EA in de ogen.
4
Universiteit Utrecht
Schooljaar 2023-2024
Inhoud
HC1: Kennisclip...................................................................................................................... 1
HC1: Introductie sociale cognitie + sociale waarneming.........................................................6
HC2: Kennisclip...................................................................................................................... 7
HC2: Hoe mensen kennis structureren en opslaan..............................................................11
HC3: Kennisclip.................................................................................................................... 12
HC3: Het gebruik van geactiveerde informatie + selectie en reconstructie van informatie....17
HC4: Kennisclip.................................................................................................................... 20
HC4: Het communiceren van informatie...............................................................................23
HC5: Kennisclip.................................................................................................................... 27
HC5: Attitudes, motivatie en zelfregulatie.............................................................................31
HC6: Kennisclip.................................................................................................................... 33
HC6: Pro-sociaal gedrag......................................................................................................39
HC1: Kennisclip
Sociale cognitie = hoe mensen denken over andere mensen.
Mensen
Hebben intenties en kunnen hun eigen omgeving beïnvloeden.
Hebben cognitie over jou.
Kunnen cognitie aanpassen om jouw te beïnvloeden.
Zijn complex.
Veranderen zich over tijd en situaties.
Hebben minder zichtbare attributies al denken mensen wel attributies aan iemand te
kunnen zien. Ze gaan verder dan de informatie gegeven door de stimulus. Mensen
maken een eigen constructie van hun sociale omgeving. Ze gebruiken hiervoor hun
interpretaties van sociale stimuli. De constructies bevatten meer informatie dan direct
waarneembaar is in werkelijkheid. Deze constructie bepaalt vervolgens gedrag.
Sociale informatie verwerken
Sociale Brain Hypothese (Dunbar) = hoe groter de groep waarin je leeft, des te groter je
neocortex moet zijn.
Mensen moeten stimuli kunnen interpreteren in verschillende contexten. Dit heeft belangrijke
gevolgen voor sociale stimuli. Voorbeeld: mensen met een zwarte huidskleur in een
achterbuurt worden negatiever gezien dan in een kerkcontext.
Voorbeeld onderzoek
Shooter bias. Bottum up informatie wordt geïnterpreteerd met behulp van top down
kennis (kennis over zwarte mensen = agressief).
1
,Basis-idee sociale cognitie
De objectieve werkelijkheid wordt in een subjectieve werkelijkheid vertaald. Je bestaande
kennis verrijkt en beïnvloed de constructie van je subjectieve werkelijkheid.
Gezichten: één van de belangrijkste bronnen van informatie bij eerste indrukken en tijdens
interacties.
Statische gezichten
Bevatten sociale informatie
Direct waar te nemen: gender, leeftijd, aantrekkelijkheid
Maar o.b.v. het gezicht proberen mensen ook persoonlijkheidskenmerken af te leiden:
groepslidmaatschap, seksuele oriëntaties, politieke voorkeur etc.
Fysiognomie = wetenschappers dachten dat het mogelijk is om persoonlijkheidskenmerken
vast te stellen o.b.v. gezicht. Lavater en Lombroso keken naar gezichten van criminelen (18e
en 19e eeuw). Desondanks dit niet lijkt te kloppen laten we ons hier als nog door
beinvloeden.
Consequenties:
Competente gezichten krijgen meer stemmen
Competente en dominante gezichten worden aangenomen als managers bij
succesvollere bedrijven.
Mensen met hogere militaire rang hebben dominante gezichten.
Mensen met onbetrouwbare gezichten:
o Worden minder vaak vertrouw in trust games
o Worden vaker schuldig bevonden
o Worden vaker uit een line-up geselecteerd
o Krijgen extreme veroordelingen.
Volgens onderzoek van Oosterhof & Todorov (2008) lezen we 15 kenmerken af:
2
,Hier werd door Sutherland et al nog aantrekkelijkheid en jeugdigheid aan toegevoegd.
Reverse correlation
Gemiddeldheid wordt vaak in verband gebracht met aantrekkelijkheid omdat gedacht wordt
dat betrouwbaarheid sterk gecorreleerd is met aantrekkelijkheid. = halo effect = What is
Beautiful is Good.
Conclusie onderzoek:
3
, Bij eerste indruk lezen mensen veel af aan het gezicht
Primair: betrouwbaarheid en dominantie
Heeft consequenties voor het echte leven
Maar waarschijnlijk meestal niet heel accuraat
Vergeet niet: gezicht is maar één deel van de input.
Expressies
In 1859 deed Duchenne onderzoek naar gezichtsuitdrukkingen. Duchenne smile: een echte
glimlach, waarbij ook kraaienpootjes te zien zijn.
Silvan Tomkins (1962) dacht dat expressies
discrete emoties onthullen: die zijn direct,
universeel en context afhankelijk. O.b.v. hiervan
heeft Paul Ekman de Basic Emotion Theory
gemaakt: zes basis emoties: blij, boos, verdriet,
angst, walging en verbazing. Volgens de theorie is
er altijd een directe link tussen de interne staat en
universele expressie. Tenzij: Display Rule:
bijvoorbeeld nep glimlachen vanwege sociale
wenselijkheid. Echter is er volgens de theorie wel
een lekkage zichtbaar in micro-expressies.
Facial Action Coding System: een beschrijving
van alle spieren in het gezicht en welke aangespannen worden bij welke emotie.
Voorbeelden
Onderzoek 1: Jack & Garrod 2 verschillende groepen, 1 Westers (WC) en 1 Aziatisch
(EA). Noise (pixels) + Neutral Face + stimulus, vervolgens de vraag welke van de 6 basis
emoties dit is. Bij WC werd er meer onderscheid in de mond gezien en bij EA in de ogen.
4