Bouwstoffen
Opdracht (90’)
Beantwoord de volgende vragen. Werk bij voorkeur in een duo waarvan iedere helft een
ander minicollege heeft gevolgd tijdens het eerste lesuur.
Vraag 1
a. Figuur 1 geeft een menselijke cel weer. Geef in deze figuur de volgende onderdelen
aan:
- Vrije ribosomen: eiwitfabriekjes, eiwitten bestemd voor eigen gebruik cel
- Ruw endoplasmatisch reticulum: verdere verwerking van eiwitten, transport naar
golgi complex (RER).
- Aan ER gebonden ribosomen: eiwitfabriekjes, eiwitten bestemd voor transport
- Glad ER: productie en opslag van (koolhydraten en) vetten.
- Golgi apparaat: verdere afwerking van eiwitten, verpakking voor transport
(blaasjes). Blaasjes worden i) lysosomen; ii) bestemd voor exocytose van
celproducten; iii) bestemd voor vernieuwing van membraan.
b. Geef van elk van de bovenstaande onderdelen aan of en hoe deze is betrokken bij de
productie van bouwstoffen (eiwitten en vetten).
Figuur 1: een menselijke cel op microscopisch niveau
, Vraag 2
a. Waar in de cel vind je DNA? in de kern
b. Wat is de functie van DNA? bevat de code van alle erfelijke eigenschappen (uitgevoerd
door eiwitten)
c. De structuur van DNA wordt vaak vergeleken met een wenteltrap. Leg die overeenkomst
uit. Het zijn twee lange strengen met daartussen ‘sporten’ van steeds twee nucleotiden.
d. Waar in de cel vind je mRNA? in kern en cytosol
e. Wat is de functie van mRNA? kopietje van DNA, om door ribosomen te worden afgelezen
f. Een DNA-segment heeft de volgende nucleotidenvolgorde:
TAC – ATA – CGA – TTC – AAG – TTA – ACT
Wat is de volgorde in de complementaire mRNA-streng?
AUG – UAU – GCU – AAG – UUC – AAU – UGA
g. Hoeveel aminozuren worden gecodeerd door het DNA segment uit vraag f?
6 (het laatste triplet is een stopcodon: een signaal voor het ribosoom om te stoppen met
het maken van het eiwit. Het codeert zelf niet voor een aminozuur.
h. Uit welke aminozuren bestaat het eiwit waar het DNA uit vraag f voor codeert? Gebruik
hiervoor tabel 1.
Met – Tyr – Ala – Lys – Phe – Asn
Tabel 1: mRNA codons en corresponderende aminozuren
Opdracht (90’)
Beantwoord de volgende vragen. Werk bij voorkeur in een duo waarvan iedere helft een
ander minicollege heeft gevolgd tijdens het eerste lesuur.
Vraag 1
a. Figuur 1 geeft een menselijke cel weer. Geef in deze figuur de volgende onderdelen
aan:
- Vrije ribosomen: eiwitfabriekjes, eiwitten bestemd voor eigen gebruik cel
- Ruw endoplasmatisch reticulum: verdere verwerking van eiwitten, transport naar
golgi complex (RER).
- Aan ER gebonden ribosomen: eiwitfabriekjes, eiwitten bestemd voor transport
- Glad ER: productie en opslag van (koolhydraten en) vetten.
- Golgi apparaat: verdere afwerking van eiwitten, verpakking voor transport
(blaasjes). Blaasjes worden i) lysosomen; ii) bestemd voor exocytose van
celproducten; iii) bestemd voor vernieuwing van membraan.
b. Geef van elk van de bovenstaande onderdelen aan of en hoe deze is betrokken bij de
productie van bouwstoffen (eiwitten en vetten).
Figuur 1: een menselijke cel op microscopisch niveau
, Vraag 2
a. Waar in de cel vind je DNA? in de kern
b. Wat is de functie van DNA? bevat de code van alle erfelijke eigenschappen (uitgevoerd
door eiwitten)
c. De structuur van DNA wordt vaak vergeleken met een wenteltrap. Leg die overeenkomst
uit. Het zijn twee lange strengen met daartussen ‘sporten’ van steeds twee nucleotiden.
d. Waar in de cel vind je mRNA? in kern en cytosol
e. Wat is de functie van mRNA? kopietje van DNA, om door ribosomen te worden afgelezen
f. Een DNA-segment heeft de volgende nucleotidenvolgorde:
TAC – ATA – CGA – TTC – AAG – TTA – ACT
Wat is de volgorde in de complementaire mRNA-streng?
AUG – UAU – GCU – AAG – UUC – AAU – UGA
g. Hoeveel aminozuren worden gecodeerd door het DNA segment uit vraag f?
6 (het laatste triplet is een stopcodon: een signaal voor het ribosoom om te stoppen met
het maken van het eiwit. Het codeert zelf niet voor een aminozuur.
h. Uit welke aminozuren bestaat het eiwit waar het DNA uit vraag f voor codeert? Gebruik
hiervoor tabel 1.
Met – Tyr – Ala – Lys – Phe – Asn
Tabel 1: mRNA codons en corresponderende aminozuren