H7 – Evolutie
7.1 – Ontstaan van de mens
De belangrijkste termen met betrekking tot evolutie zijn wel:
Selectiedruk De druk die de natuur legt op organismen om zich aan te passen
Struggle for life Alle organismen voeren een strijd om te overleven
Survival of the fittest De best aangepaste individuen overleven en planten zich voort
Na Darwin is de evolutietheorie verder aangevuld door o.a. de ontdekking van genetica tot de
neodarwinistische theorie.
De evolutionaire stamboom van de mens wordt nog steeds continu aangepast. De belangrijkste
aanpassingen zijn:
1. Op twee benen lopen
2. Werktuiggebruik
3. Ontwikkeling van taal
Er worden nog steeds nieuwe mensensoorten ontdekt. Men is het er redelijk algemeen over eens dat
de mens ontstaan is in Afrika en vanuit daar verspreid is over de wereld.
7.2 – Ontstaan van nieuwe soorten
Darwin merkte al variatie binnen een soort op. Deze variatie zorgt ervoor dat een soort zich kan
blijven aanpassen aan de omgeving. Bepaalde organismen (denk aan bloemen en hun bestuivers)
evolueren samen: als de een verandert, moet de ander mee. Hetzelfde geldt voor prooien en
predatoren. Dit noem je co-evolutie.
Soms raakt een populatie gesplitst. Als de organismen niet meer bij elkaar kunnen komen door een
fysieke barrière zoals een ravijn, spreek je van allopatrische soortvorming. Beide groepen gaan zich
een andere kant op evolueren en vormen uiteindelijk verschillende soorten. Bij sympatrische
soortvorming paren alleen bepaalde individuen met elkaar gebaseerd op bijv. kleur of gedrag. Dit is
seksuele selectie.
Ook mensen hebben zich bemoeid met het selectieproces. Door planten en dieren met gewenste
kenmerken met elkaar te kruisen, hebben we de natuurlijke selectie gestuurd. Dit is klassieke
verdeling. Hierbij is sprake van kunstmatige selectie: door de mensen gewenste eigenschappen
worden gekozen. Hierdoor zijn verschillende (vreemde) hondenrassen ontstaan.
7.3 – Het verhaal van de fossielen
Fossielen kunnen op verschillende manieren ontstaan. Verstening is wel de bekendste, maar
verdroging en insluiting komen ook veel voor. Fossielen helpen een aardlaag te dateren d.m.v.
gidsfossielen. Hiermee bepaal je de relatieve leeftijd van een organisme/aardlaag. Als je de absolute
leeftijd wilt weten, kun je dat doen aan de hand van isotopen en hun halveringstijd.
Hoe verwant organismen met elkaar zijn, kun je aan een aantal dingen zien:
Homologe structuren zijn onderdelen van organismen met dezelfde bouw maar een andere
functie
Analoge structuren zijn onderdelen van organismen met een andere bouw maar dezelfde
functie
7.1 – Ontstaan van de mens
De belangrijkste termen met betrekking tot evolutie zijn wel:
Selectiedruk De druk die de natuur legt op organismen om zich aan te passen
Struggle for life Alle organismen voeren een strijd om te overleven
Survival of the fittest De best aangepaste individuen overleven en planten zich voort
Na Darwin is de evolutietheorie verder aangevuld door o.a. de ontdekking van genetica tot de
neodarwinistische theorie.
De evolutionaire stamboom van de mens wordt nog steeds continu aangepast. De belangrijkste
aanpassingen zijn:
1. Op twee benen lopen
2. Werktuiggebruik
3. Ontwikkeling van taal
Er worden nog steeds nieuwe mensensoorten ontdekt. Men is het er redelijk algemeen over eens dat
de mens ontstaan is in Afrika en vanuit daar verspreid is over de wereld.
7.2 – Ontstaan van nieuwe soorten
Darwin merkte al variatie binnen een soort op. Deze variatie zorgt ervoor dat een soort zich kan
blijven aanpassen aan de omgeving. Bepaalde organismen (denk aan bloemen en hun bestuivers)
evolueren samen: als de een verandert, moet de ander mee. Hetzelfde geldt voor prooien en
predatoren. Dit noem je co-evolutie.
Soms raakt een populatie gesplitst. Als de organismen niet meer bij elkaar kunnen komen door een
fysieke barrière zoals een ravijn, spreek je van allopatrische soortvorming. Beide groepen gaan zich
een andere kant op evolueren en vormen uiteindelijk verschillende soorten. Bij sympatrische
soortvorming paren alleen bepaalde individuen met elkaar gebaseerd op bijv. kleur of gedrag. Dit is
seksuele selectie.
Ook mensen hebben zich bemoeid met het selectieproces. Door planten en dieren met gewenste
kenmerken met elkaar te kruisen, hebben we de natuurlijke selectie gestuurd. Dit is klassieke
verdeling. Hierbij is sprake van kunstmatige selectie: door de mensen gewenste eigenschappen
worden gekozen. Hierdoor zijn verschillende (vreemde) hondenrassen ontstaan.
7.3 – Het verhaal van de fossielen
Fossielen kunnen op verschillende manieren ontstaan. Verstening is wel de bekendste, maar
verdroging en insluiting komen ook veel voor. Fossielen helpen een aardlaag te dateren d.m.v.
gidsfossielen. Hiermee bepaal je de relatieve leeftijd van een organisme/aardlaag. Als je de absolute
leeftijd wilt weten, kun je dat doen aan de hand van isotopen en hun halveringstijd.
Hoe verwant organismen met elkaar zijn, kun je aan een aantal dingen zien:
Homologe structuren zijn onderdelen van organismen met dezelfde bouw maar een andere
functie
Analoge structuren zijn onderdelen van organismen met een andere bouw maar dezelfde
functie