Week 1
Cultuur en interactie
Interactie -> vormt cultuur, draagt cultuur over en verandert cultuur
cultuur -> cultuur bepaalt gedeeltelijk hoe interacties verlopen
Cultuur en Interdependentie
Cultuur -> Hoe affectieve bindingen worden geuit maakt onderdeel uit van de cultuur
Interdependentie -> via affectieve bindingen kan cultuur doorgegeven worden
Interactie en Interdependentie
Interactie -> Wanneer je met iemand interacteert, ben je vaak afhankelijk van degene.
Interdependentie -> Interactie kan op indirecte wijze
Week 2
Arbeidsindeling = Het opsplitsen van taken of arbeid
Economische bindingen = van elkaar afhankelijk zijn in het produceren en distribueren van
schaarse materiële middelen ter bevrediging van hun behoeften
Feodale verhoudingen = eenzijdige machtsrelatie tussen boeren grootgrondbezitters.
Kapitalisme = economisch systeem van investeringen en winst
Bourgeoisie vs arbeidersklasse
Bourgeoisie = Groepering mensen die kapitaal bezitten en daarmee handel drijven en
productie organiseren.
Het kapitaal krijgt steeds meer macht -> koning, kerk of traditie was niet nodig alleen leidend
Primaire sector = mensen die zich bezighielden met de landbouw
tertiaire sector = degene in de dienstverlening
bureaucratie = rationele besturingsvorm die gekenmerkt wordt door een toegenomen
voorspelbaarheid en standaardisatie.
Vervreemding = een proces waarbij mensen zich niet meer zichzelf voelen omdat ze het idee
hebben geen invloed te kunnen uitoefenen op de ontwikkelingen.
Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die verband houdt met schommelingen in de
economische conjunctuur
Frictie-werkloosheid: vraag en aanbod van arbeid op de arbeidsmarkt zijn niet goed op
elkaar afgestemd
Structurele werkloosheid: economische lange termijn ontwikkelingen die leiden tot lange
laagconjunctuur
Seizoenswerkloosheid: tijdelijke werkloosheid als gevolg van weinig vraag naar arbeid in een
bepaald deel van het jaar
, Week 3
Weber: staatsmacht is pas effectief, als deze macht legitiem is, dwz acceptabel voor een
groot deel van de bevolking
Er zijn 3 typen gezag:
- Traditioneel = Machtsoefening krachtens geloof, vertrouwen en traditie
- Charismatisch = geloof in eigenschappen van de leider
- Rationeel-legaal = vertrouwen in de wetten
Bureaucratisering = regels en procedures om de macht van de staat in te perken en het recht
voor iedereen gelijk. Vermindering willekeur en corruptie.
Soevereiniteit = wanneer een staat binnen zijn grondgebied het hoogste gezag heeft.
Nachtwakerstaat = De overheid bemoeit zich alleen met veiligheid.
Verzorgingsstaat = De overheid zorgt voor iedereen die niet voor zichzelf kan zorgen.
Participatiesamenleving = De kosten van de verzorgingsstaat zijn niet meer te dragen.
Mensen moeten meer voor zichzelf en elkaar zorgen.
Week 4
Wij-groepen = De groep waarmee je identificeert, verbonden meevoelt.
Stigmatisering = een proces waarin een groep personen negatief wordt gelabeld,
veroordeeld en uitgesloten
Drie theorieën over gevoelens:
- Goffman -> Dramaturgisch perspectief:
Mensen spelen een rol waarbij de indruk moet passen bij de boodschap. Front stage
and back stage.
- Benedict -> Culture and personality benadering:
Cultuur lijkt op dominante persoonlijkheden uit die cultuur.
- Elias -> Civilisatieproces:
Beschaving staat centraal, veel impulsen en gevoelens.
Durkheim: Biedt saamhorigheidsgevoels(wij-gevoel), door zowel dwang en
aantrekkingheidsgevoel (collectieve rituelen) religie heeft een sociale oorsprong.
Secularisering = Betekenis en invloed van religie neemt af.
Ideologie = samenhangende ideeën over sociale orde, staat en maatschappij.
Liberalisme = vrijheid voor individu en markt
socialisme = samenwerking en solidariteit. Gelijkheid staat centraal
Conservatisme = Traditionele verhoudingen behouden. Familie, religie, gezag.