Benzine is een brandstof. Als benzine wordt verbrandt komt er energie vrij in de vorm van beweging
en warmte. Bij de verbranding ontstaan nieuwe stoffen verbrandingsproducten.
Verbranding bij een kaars
- Bij het verbranden van een kaars komt er energie vrij in de vorm van licht en warmte. Het kaarsvet
verdwijnt en er ontstaan verbrandingsproducten. Als er geen lucht bij de kaars komt gaat die uit, dat
komt omdat een verbranding zuurstof nodig heeft.
- Bij de verbranding van een kaars ontstaan water en koolstofdioxide. (dat er water ontstaat, kun je
zien aan het beslaan van glas).
- Met een indicator kun je een andere stof aantonen. De indicator van koolstofdioxide is helder
kalkwater.
Verbranding: Brandstof + zuurstof water + koolstofdioxide + energie
Ingeademde en uitgeademde lucht
Organismen hebben energie nodig en bij verbranding komt energie vrij. Als in je lichaam verbranding
plaatsvindt, heeft je lichaam zuurstof nodig en zal het koolstofdioxide afgeven.
Lucht die je inademend bestaat vooral uit: stikstof en zuurstof. 78% stikstof, 21% zuurstof en 1% uit
andere gassen, zoals edelgassen. In droge lucht zit 0.04% koolstofdioxide. De hoeveelheid water in
de lucht kan verschillen
Lucht die je uitademt bevat in vergelijking met de lucht die je in ademt:
- Minder zuurstof
- Meer koolstofdioxide
- Meer waterdamp
- Een gelijke hoeveelheid stikstof en edelgassen.
Bij warm, vochtig weer bevat de lucht meer waterdamp dan bij koud, droog weer.
Verbranding vindt plaats in elke cel van je lichaam, dag en nacht. Zonder verbranding gaat een cel
dood, dit geldt voor alle levende cellen van alle organismen. Dit komt doordat door de verbranding
van energie vrijkomt die nodig is voor alle processen in een cel. Als er geen energie meer is, stoppen
de processen en gaat de cel dood.
- Voor de verbranding in je lichaam is brandstof nodig glucose.
- Glucose ontstaat door fotosynthese in planten. Voor fotosynthese is koolstofdioxide, water en
energie in de vorm van licht nodig. De glucose die ontstaat, is dan ook een energierijke stof.
Verbranding in een cel: glucose + zuurstof water + koolstofdioxide + energie
Energie
Energie heb je nodig om iets te kunnen doen: bewegen, warm blijven, groeien. Hierbij gaat de
energie van de ene vorm over in een andere vorm. De energie in glucose beweging en warmte.
Als je actiever word heb je meer energie nodig. Vooral in je spieren wordt dan meer glucose
verbrand. Er moet dan voldoende glucose en zuurstof zijn. Ook neemt de hoeveelheid afvalstoffen in
de spiercellen toe.
- Energie haal je uit voedsel.
- Hoe groter de lichamelijke inspanning des te meer verbranding vindt er plaats in de cellen:
- De cellen hebben meer brandstof en zuurstof nodig.
- De ademhaling gaat sneller; er wordt meer zuurstof opgenomen.
- Het hart klopt sneller: er vindt meer transport plaats
- Er komt meer warmte vrij.