Hoofdstuk 1
Een strategie is een langetermijnplan inzake de functie van de organisatie in de samenleving, waarin
de organisatie aangeeft welke doelstellingen ze wil bereiken en met welke middelen en langs welke
wegen ze die doelstellingen wil bereiken.
Strategie
1. strategie is niks anders dan een plan.
Geplande strategie: van tevoren wordt geformuleerd en vervolgens wordt uitgevoerd.
Spontane strategie: niet van tevoren geformuleerd.
2. strategie heeft betrekking op de lange termijn
Strategische beslissingen: onherroepelijke beslissingen
Operationele beslissingen: beslissingen met een routinematig karakter.
3. strategie heeft betrekking op de functie van de organisatie in de samenleving
Externe coördinatie: hoe passen de activiteiten in het grotere geheel van de samenleving
Interne coördinatie: onderlinge afstemming van activiteiten in het bedrijf.
Mission Statement: de missie van een bedrijf.
4. strategie geeft aan welke doelstellingen de organisatie wil bereiken
5. strategie geeft aan met welke middelen en langs welke wegen een organisatie die doelstellingen
wil bereiken.
Financiële middelen, kennis, reputatie en menselijk talent.
Businessunit: wordt geleid door een manager, die een eigen winstverantwoordelijkheid heeft en ten
minste verantwoordelijk is voor productie , marketing en de ontwikkeling van nieuwe producten.
Onderneming die uit meerdere businessunits bestaat: concern
Iedere businessunit heeft een strategie en het concern heeft een strategie.
Divisies: kunnen bestaan uit meerdere businessunits.
Functionele strategie: voor een bepaald functioneel gebied. (marketingstrategie, productiestrategie,
HR-strategie of IT-strategie.)
Stappen van het strategisch management:
1. formuleren van de doelstellingen van de onderneming.
2. analyseren van de omgeving.
3. analyseren van de sterke en zwakke punten van de omgeving
4. formuleren van de strategie.
5. implementeren van de strategie.
, Hoofdstuk 2
Producten of diensten vormen outputs.
Grondstoffen en componenten vormen inputs.
Een bedrijf is een organisatie die voor haar voortbestaan afhankelijk is van de vraag of de inkomsten
die worden gegenereerd door de outputs te verkopen, voldoende zijn om de leveranciers van de
inputs te betalen.
Mission statement:
1. Wie : Wie zijn de afnemers waar we ons op gaan richten
2. Wat : in welke behoefte van die afnemers willen we voorzien.
3. Hoe : met welke producten en welke technologie gaan we dat doen.
Ondernemingen:
1. Persoonlijke ondernemingen
De directeur is ook de eigenaar van het bedrijf. Vaak BV of eenmanszaak.
2. besloten onderneming zonder scheiding van leiding en eigendom
Aandelen heel lang in handen van dezelfde personen. Alle eigenaren zijn direct betrokken bij de
leiding van de onderneming.
3. besloten onderneming met scheiding van leiding en eigendom
Niet alle eigenaren zijn betrokken bij de leiding van de onderneming. Aandelen in handen van
meerdere personen.
4. beursgenoteerde ondernemingen
Aandelen worden verhandeld op een effectenbeurs.
5. coöperaties en verenigingen
Het doel is het behartigen van de belangen van de leden. Eigenvermogen vergroten door het
inhouden van de winst.
6. not-for-profitbedrijven
Een bedrijf die niet streeft naar winst. Vaak in de vorm van een Stichting.
7. overheidsbedrijven
Vaak in de vorm NV of BV. Het streven naar winst speelt hier nauwelijks een rol.
Aan het gebruik van winst kleven twee bezwaren:
1. Winst een begrip wat nog niks zegt. Cash is een feit.
2. De dimensie tijd ontbreekt.
Directe stakeholders: zijn allen min of meer direct bij een bedrijf betrokken (werknemers, managers,
aandeelhouders, verschaffers van vreemd vermogen, leveranciers & afnemers)
Indirecte stakeholders: andere groepen die minder direct betrokken zijn bij een bedrijf.
(omwonenden, milieuactiegroepen & overheidsinstellingen.)
Afnemers: Hoe kan de onderneming aan de behoeftes voldoen.
Werknemers: aard van het werk, de sfeer en de arbeidsvoorwaarde.