Week 2. Casus 1: Bekken- en lage rugklachten.
Het betreft mevrouw Y.H.B; zij is 32 jaar. Zij heeft pijn rondom het bekken, die zeer laag in de
rug begint en die optreedt tijdens langer staan, het lopen en bij traplopen. De pijn is begonnen
in de laatste maanden van haar eerste zwangerschap en is nu, twee maanden na de
bevalling, nog altijd aanwezig. Daardoor wordt de dagelijkse zorg voor haar baby extra zwaar;
bukken, tillen, bedden opmaken en andere zwaardere huishoudelijke werkzaamheden
leveren klachten op en haar man probeert hierbij zoveel mogelijk te helpen.
Ook vraagt ze zich af of ze haar werk (part-time schoonheidsspecialiste) bij een
schoonheidssalon wel weer kan hervatten; ze heeft zich na haar bevallingsverlof voorlopig
ziek moeten melden. In het begin van haar zwangerschap hadden ze het zo mooi bedacht: na
de bevalling misschien een ‘praktijkje aan huis’. Hiervoor zou één van de slaapkamers
kunnen worden verbouwd en ingericht, maar dat is (gelukkig) nog niet gebeurd, omdat na het
inrichten van de babykamer het geld eerst even op is.
Haar man werkt voltijds als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis en draait zeer
wisselende diensten.
Er zijn al röntgenfoto’s van de rug en de sacro-iliacale gewrichten gemaakt maar hierop zijn
geen afwijkingen te zien. Ze wordt naar een vrijgevestigde fysiotherapeut verwezen en de
vraag van de huisarts is enerzijds of er misschien iets met het SI gewricht kan zijn en
anderzijds of de fysiotherapeut een behandeling wil instellen.
Vraag 1 Geef aan of er in deze casus ook sprake is van een stoornis rest. Leg uit wat
een stoornis rest inhoudt en geef aan op welke wijze stoornissen rest invloed
kunnen hebben op je fysiotherapeutisch handelen.
Overige stoornissen zijn verschijnselen van (dis)functioneren die door de fysiotherapeut
kunnen worden waargenomen en onderzocht en eventueel behandeld kunnen worden.
Eventueel betekend dat, over het algemeen, fysiotherapeuten deze stoornissen behandelen.
Het hangt van de individuele toestand van de patiënt af of de fysiotherapeut dat ook gaat
doen ja of nee.
Stoornissen rest zijn stoornissen die niet door de fysiotherapeut behandeld kunnen worden.
het zijn vaak ziektebeelden die vallen onder het medisch-biologisch (dis)functioneren.
Naar mijn mening zijn er geen stoornissen rest bij mevrouw van dien aard.
Toch kunnen deze stoornissen rest, wanneer ze wel aanwezig zijn, van invloed zijn op de
behandeling. Wanneer iemand bijvoorbeeld blind is, wordt het uitvoeren van een oefening of
behandeling heel anders. Je probeert hier toch rekening mee te houden. Hetzelfde geldt
wanneer iemand bijvoorbeeld een kunstbeen heeft. Je houdt er tijdens je oefeningen wel
rekening mee.
Vraag 2 Leg uit welke coping stijlen er zijn, wat deze inhouden en welke coping stijl de
patiënt uit de casus hanteert.
Coping is de manier waarop iemand omgaat met problemen en gebeurtenissen, en de
gedachten en gevoelens die een persoon hier bij heeft. Zo kan iemand een actieve of
passieve copingstijl hebben. Mensen met een actieve copingstijl hebben over het algemeen
minder last van stress en beschikken over een betere geestelijke gezondheid.
Om te kunnen veranderen van gedrag moeten patiënten beschikken over sociale coping skills
om op te komen voor zichzelf. Thuis, op school of op het werk moeten patiënten soms sterk in
hun schoenen staan om het door de therapeut van hen verlangde klachtverminderende
gedrag uit te voeren.
Copingactiviteiten zijn gericht op het probleem en de regulering van emoties. De probleem-
en emotiegerichte coping kunnen weer onderverdeeld worden in gedragsmatige en cognitieve
vormen.
,Probleemgeoriënteerde gedragsmatige coping
De patiënt probeert het probleem te beheersen, op te lossen. Hij gaat informatie inwinnen,
plannen maken, met anderen overleggen etc. Men wil controle krijgen over de problematische
situatie. Voorbeelden: Plan van aanpak maken, informatie opzoeken om het probleem op te
lossen, steun bij anderen zoeken. Doordat de pt. de situatie meester is, is de dreiging
aanzienlijk minder.
Probleemoplossende coping wordt ook wel actieve coping genoemd. Passieve coping en
vermijdingsgedrag ontstaan juist in situaties die oncontroleerbaar zijn.
Probleemgeoriënteerde cognitieve coping
Dit vindt plaats wanneer de patiënt anders tegen het probleem aan probeert te kijken. Hij gaat
andere aspecten van de situatie belichten en herwaarderen: ‘Van problemen kun je leren’. Dit
herwaarderen lukt vooral als de situatie niet al te ernstig is, want rampen zijn voor iedereen
erg. Een actieve aanpak kan een positief effect hebben op het herstel. Vrouwen met
borstkanker bijvoorbeeld, die optimistisch zijn en een vechtersgeest hebben, deden het
postoperatief beter dan degenen die de situatie maar accepteerden en zich hulpeloos
opstelden. Bij pijn helpen ook diverse cognitieve strategieën. Zoals het verbeelden van
sensaties (gevoelens) die onverenigbaar zijn met de pijnsensaties. Wishful thinking (tegen
beter weten in hopen dat de situatie vanzelf over gaat) is ook een vorm van probleemgerichte
cognitieve coping, maar mist realiteitszin.
Emotiegeoriënteerde gedragsmatige coping
Bij deze copingstijl verzacht men de negatieve emoties. Men wil activiteiten doen die de
spanning doen wegnemen. Zoals nagelbijten, met de voet schudden, knarsetanden etc. Ook
kan men gaan roken, veel eten, alcohol en drugs gebruiken en sporten om emoties te
reguleren. Sommige patiënten zullen informatie over de stressor willen vermijden. Deze ‘kop
in het zand-strategie’ geeft bij acute stressoren in het algemeen minder stress, maar zijn ook
bij lang lopende stressoren ongunstig, omdat de patiënt dan niets onderneemt om het
probleem te reduceren.
Emotiegeoriënteerde cognitieve coping
Dit is het geval wanneer de patiënt zijn verhaal verteld. Je verhaal vertellen en je emoties
uiten is over het algemeen gunstig. Daardoor verminderd de arousel, omdat het vertellen van
het verhaal dwingt tot cognitieve verwerking.
Actieve emotie gerichte coping positieve betekenis geven aan wat je overkomt. Acceptatie
van het niet meer kunnen veranderen van…
Vijandig opstellen naar anderen, anderen de schuld geven.
Passieve emotie gerichte coping jezelf de schuld geven van de situatie, je richten op je
eigen tekortkomingen, ontkennen, vermijden, piekeren
Passieve emotie gerichte coping een 32-jarige parketvloerlegger die geen scholing heeft
afgemaakt. De huid aan de voorzijde van z’n knieën is door de belasting fors verdikt van eelt.
Tijdens bewegen maken de menisci erg veel lawaai/crepitaties. Meneer heeft de afgelopen
anderhalf jaar een toenemende pijn gekregen in beide knieën. Wat is zijn prognose? Zou hij
dit werk tot z’n 60e kunnen volhouden? Meneer wilde daar niet aan denken: ‘Ik zie wel.’ Dat
geeft momenteel rust, maar in de toekomst ontstaan hoogstwaarschijnlijk onoverkomelijke
problemen. Een actieve probleemgeoriënteerde coping zou op termijn beter zijn: men kan
daarbij denken aan het vroegtijdig oriënteren op omscholing.
Vragen over stap 4
Vraag 3 De patiënte uit de casus heeft last van pijn. Laten we aannemen dat deze pijn
op basis is van stabiliteitsproblemen. Haar verlies van passieve stabiliteit
(bijvoorbeeld door de zwangerschap) is maar 1 factor in het verminderen van
dit verlies aan stabiliteit.
Geef 3 andere factoren die aanleiding geven tot stabiliteitsproblemen en leg
ze uit.
Stabiliteit: de mate waarin een gewricht op elk moment in de beweging in alle richtingen kan
worden gefixeerd.
, Actief: zie spierfunctie: actieve bewegingsmogelijkheid in het algemeen (kwalitatief) of meer
specifiek over één gewricht (kwantitatief). Onder spierfunctie vallen: spierkracht,
spiercoördinatie, spiertonus en spieruithoudingsvermogen.
Passief: vergrote bewegingsuitslagen (PROM)
Een adequate spierfunctie en het vermogen tot adequate stabilisering van de wervelkolom
stelt het lichaam in staat de mechanische belasting goed te verwerken en verhindert dat
gewrichten in een pijnlijke stand belast worden.
Wanneer patiënten last van recidief (terugval) van klachten krijgen, is een analyse van de
spierfunctie en stabiliteit erg noodzakelijk. Het is namelijk zo dat bij herstel van de
pijnklachten de spierfunctie niet zo spontaan verbetert.
Spierfunctie is het vermogen van iemand om met behulp van spieractiviteit een beweging of
bewegingstaak uit te voeren. De persoon wil een beweging of bewegingstaak uitvoeren. De
uitvoering zelf is afhankelijk van allerlei factoren.
Actieve stabiliteit is het vermogen om een verstoring van de stand van een gewricht of een
bewegingsketen tegen of om een verstoring van een beweging tegen te gaan. wanneer
iemand een verstoring krijgt tijdens een beweging, kan hij die opvangen zonder dat de stand
van het gewricht (of wk) of de beweging sterk veranderd. Actieve stabiliteit bestaat uit spieren
en pezen. Passieve stabiliteit bestaat uit de kapsels en banden.
Als de actieve stabiliteit dus onvoldoende ontwikkeld is en hiermee de stabiliteit dus
onvoldoende is kunnen er lichamelijke klachten ontstaan. Deze klachten zijn het gevolg van
compensatie voor het gebrek aan actieve stabiliteit door gebruik te gaan maken van passieve
stabiliteit door het “hangen” in gewrichten, wat op den duur een overbelasting van het kapsel-
en bandapparaat oplevert. Deze overbelasting kan dan zorgen voor scheuren en blessures.
Met behulp van sensoriek is het zenuwstelsel in staat de verstoringen in het gewricht waar te
nemen en daarop een aanpassing van de beweging te maken.
Welke andere factoren, behalve het verlies van passieve stabiliteit (zwangerschap), leiden tot
een verlies aan stabiliteit?
Verlies aan actieve stabiliteit, oftewel, een verlies aan spierfunctie. Bij mevrouw kan dit uit in
een verzwakking van de spierkracht, afname van het uithoudingsvermogen en verlies aan
coördinatie. Wanneer bovenstaande items afnemen als gevolg van pijn en daardoor
onderbelasting, zullen ze verzwakken en zorgen voor een verminderde stabiliteit van de wk.
Vraag 4 Geef aan welke structuren de intra abdominale druk verzorgen en geef aan
wat de functie van deze intra abdominale druk is.
De intra-abdominale druk wordt voornamelijk
verzorgd door de m. abdominis transversus. Deze
spier zit vast aan de fascia thorocolumbalis en
creëert een spanning waardoor de intra-abdominale
druk verhoogd en daarmee zorgt voor een
segmentale stabiliteit. Oftewel, door je navel in te
trekken spant deze spier zich aan en maak je de
lumbale wervelkolom sterker en stabieler. De functie
van de intra abdominale druk is dus door het
diafragma en de bekken-bodemspieren aan te
spannen, wordt de lwk sterker.
De fascia thorocolumbalis is een uitgebreid systeem
in de rug die betstaat uit meerdere lagen. Het
omringt de erector spinae, multifidi en quadratus
lumborum, waardoor steun wordt gegeven aan deze
spieren wanneer zij contraheren. Toegenomen
spanning in deze spieren verhoogd de spanning in
de fascie, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan
de stabiliserende functie van de bovenstaande spieren.
The benefits of buying summaries with Stuvia:
Guaranteed quality through customer reviews
Stuvia customers have reviewed more than 700,000 summaries. This how you know that you are buying the best documents.
Quick and easy check-out
You can quickly pay through credit card or Stuvia-credit for the summaries. There is no membership needed.
Focus on what matters
Your fellow students write the study notes themselves, which is why the documents are always reliable and up-to-date. This ensures you quickly get to the core!
Frequently asked questions
What do I get when I buy this document?
You get a PDF, available immediately after your purchase. The purchased document is accessible anytime, anywhere and indefinitely through your profile.
Satisfaction guarantee: how does it work?
Our satisfaction guarantee ensures that you always find a study document that suits you well. You fill out a form, and our customer service team takes care of the rest.
Who am I buying these notes from?
Stuvia is a marketplace, so you are not buying this document from us, but from seller esther4. Stuvia facilitates payment to the seller.
Will I be stuck with a subscription?
No, you only buy these notes for $3.18. You're not tied to anything after your purchase.