1.1 Maatschappelijke vraagstukken
Maatschappelijk vraagstuk (3 kenmerken), dilemma en belangen
Als waarden en normen van verschillende groepen in de samenleving botsen
ontstaat er een maatschappelijk vraagstuk.
We spreken van een maatschappelijk vraagstuk wanneer:
1. Heeft gevolgen voor grote groepen in de samenleving.
2. Er is sprake van tegengestelde belangen en visies.
3. Er is een gemeenschappelijke aanpak nodig om het op te lossen
(overheid).
Er bestaan verschillende visies op de oorzaken en de aanpak van het probleem,
doordat de betrokkenen tegengestelde belangen hebben. Belang → het
voordeel dat iemand ergens bij heeft. Belangstellingen ontstaan uit verschillen
in levensovertuiging, ideologie of maatschappelijke positie.
Dilemma → een lastige keuze uit 2 of meer alternatieven die allemaal
duidelijke nadelen hebben. Vaak zien we een dilemma tussen individuele en
collectieve belangen.
De aanpak van een probleem is gemeenschappelijk, omdat de maatregelen
voor het hele land gelden en meerdere betrokkenen zijn nodig om het
probleem op te lossen.
Politici en overheid komen voor een wet/regel vaak met een compromis.
Oplossing waarbij alle partijen iets toevoegen. De overheid → bestuurders,
volksvertegenwoordigers en ambtenaren, is verantwoordig voor het
opstellen, de uitvoering en de naleving van wetten.
Dynamische samenleving
De manier waarop we omgaan met maatschappelijke vraagstukken verschilt per
plaats, tijd en groep:
- Plaats: in Nepal bestaat een kastensysteem, hierdoor zijn mensen vanaf
hun geboorte ongelijk aan elkaar. In Nepal is dit normaal, maar in
Nederland niet.
- Tijd: we kunnen nu op zondag winkelen, maar vroeger was zondag een
rustdag.
, - Groep: rechts-radicale jongeren zetten zich af tegen de pluriforme
samenleving. Internationale georiënteerde jongeren zien meerdere
culturen als een verrijking voor Nederland.
Het constant veranderen van normen, waarden en belangen in een
maatschappij noem je de dynamiek van de samenleving.
Waarden en normen
Waarden → uitgangspunten of principes die mensen belangrijk vinden in hun
leven en die ze daarom willen nastreven. Vanuit de waarde vrijheid zullen
mensen bijvoorbeeld de wettelijke leeftijdsgrens voor alcohol willen verlagen.
Welke waarden jij belangrijk vindt heeft te maken met je opvoeding, je
omgeving, je karakter en je levenservaring.
Waarden leiden tot gedragsregels. Deze regels over hoe je je op grond van een
bepaalde waarde behoort te gedragen, noemen we normen. Uit de waarde
eerlijkheid volgt bijvoorbeeld de norm dat je de waarheid spreekt en dat je ook
van andere verwacht dat ze niet liegen.
Macht (formele en informele macht, machtsmiddelen)
Macht → het vermogen om het gedrag of denken van andere te beïnvloeden,
desnoods met dwang. Macht die geaccepteerd is noemen we gezag.
De macht van docenten op een school noemen we formele macht. Bij
informele macht beïnvloeden mensen elkaar zonder een formeel systeem van
regels en sancties. Bijvoorbeeld binnen een vriendengroep.
De manier waarop iemand het gedrag of denken van andere beïnvloedt, heeft
te maken met machtsbronnen.
Voorbeelden van machtsbronnen zijn:
- Geld
- Functie/beroep
- Kennis
- Overtuigingskracht
- Aanzien
- Aantal
Maatschappelijk vraagstuk (3 kenmerken), dilemma en belangen
Als waarden en normen van verschillende groepen in de samenleving botsen
ontstaat er een maatschappelijk vraagstuk.
We spreken van een maatschappelijk vraagstuk wanneer:
1. Heeft gevolgen voor grote groepen in de samenleving.
2. Er is sprake van tegengestelde belangen en visies.
3. Er is een gemeenschappelijke aanpak nodig om het op te lossen
(overheid).
Er bestaan verschillende visies op de oorzaken en de aanpak van het probleem,
doordat de betrokkenen tegengestelde belangen hebben. Belang → het
voordeel dat iemand ergens bij heeft. Belangstellingen ontstaan uit verschillen
in levensovertuiging, ideologie of maatschappelijke positie.
Dilemma → een lastige keuze uit 2 of meer alternatieven die allemaal
duidelijke nadelen hebben. Vaak zien we een dilemma tussen individuele en
collectieve belangen.
De aanpak van een probleem is gemeenschappelijk, omdat de maatregelen
voor het hele land gelden en meerdere betrokkenen zijn nodig om het
probleem op te lossen.
Politici en overheid komen voor een wet/regel vaak met een compromis.
Oplossing waarbij alle partijen iets toevoegen. De overheid → bestuurders,
volksvertegenwoordigers en ambtenaren, is verantwoordig voor het
opstellen, de uitvoering en de naleving van wetten.
Dynamische samenleving
De manier waarop we omgaan met maatschappelijke vraagstukken verschilt per
plaats, tijd en groep:
- Plaats: in Nepal bestaat een kastensysteem, hierdoor zijn mensen vanaf
hun geboorte ongelijk aan elkaar. In Nepal is dit normaal, maar in
Nederland niet.
- Tijd: we kunnen nu op zondag winkelen, maar vroeger was zondag een
rustdag.
, - Groep: rechts-radicale jongeren zetten zich af tegen de pluriforme
samenleving. Internationale georiënteerde jongeren zien meerdere
culturen als een verrijking voor Nederland.
Het constant veranderen van normen, waarden en belangen in een
maatschappij noem je de dynamiek van de samenleving.
Waarden en normen
Waarden → uitgangspunten of principes die mensen belangrijk vinden in hun
leven en die ze daarom willen nastreven. Vanuit de waarde vrijheid zullen
mensen bijvoorbeeld de wettelijke leeftijdsgrens voor alcohol willen verlagen.
Welke waarden jij belangrijk vindt heeft te maken met je opvoeding, je
omgeving, je karakter en je levenservaring.
Waarden leiden tot gedragsregels. Deze regels over hoe je je op grond van een
bepaalde waarde behoort te gedragen, noemen we normen. Uit de waarde
eerlijkheid volgt bijvoorbeeld de norm dat je de waarheid spreekt en dat je ook
van andere verwacht dat ze niet liegen.
Macht (formele en informele macht, machtsmiddelen)
Macht → het vermogen om het gedrag of denken van andere te beïnvloeden,
desnoods met dwang. Macht die geaccepteerd is noemen we gezag.
De macht van docenten op een school noemen we formele macht. Bij
informele macht beïnvloeden mensen elkaar zonder een formeel systeem van
regels en sancties. Bijvoorbeeld binnen een vriendengroep.
De manier waarop iemand het gedrag of denken van andere beïnvloedt, heeft
te maken met machtsbronnen.
Voorbeelden van machtsbronnen zijn:
- Geld
- Functie/beroep
- Kennis
- Overtuigingskracht
- Aanzien
- Aantal