BIOLOGIE
Hoofdstuk 2, soorten en relaties
Par 1, Soorten
Ecologisch en biologisch verbouwen; je gebruikt geen kunstmest en
chemische bestrijdingsmiddelen. Hierdoor heb je meer kans op plagen en
kan de oogst mislukken.
Biologische factoren; andere organismen die het gewas beïnvloeden.
Bodemorganisme (wormen, schimmels) en natuurlijke vijanden (vogels).
Abiotische factoren; tempratuur, de hoeveelheid regen en wind en de
grondsoort.
Tolerantiegebied; reeks waarden van
abiotische factorenen waarbij individuen
van een soort kunnen leven. Buiten het
tolerantiegebied gaan ze dood.
Minimumwaarde; het laagst waar
het organisme kan overleven.
Maximumwaarde; het hoogst waar
het organisme kan overleven.
Optimumwaarde; hier kan het
organisme op z’n best functioneren.
Wetenschappelijke naam; bestaat uit 2 delen en in het Latijns.
1. Geslacht; voorop en met een hoofdletter. Bijv. hazen.
2. Soort; achteraan en met een kleine letter. Bijv. poolhaas.
Systeem van ordening; je plaats groepen in steeds grotere groepen.
Organismen soorten geslachten families orden
Familie; een aantal geslachten bij elkaar.
Orde; grote groep achtige bij elkaar. Bijv. haasachtigen.
Par 2, Populaties
Monoculturen; een grote akker met 1 soort gewas. Je kan alle plantjes
tegelijk zaaien, de grote machines kunnen er efficiënt gebruik van maken
en de arbeidskosten zijn laag.
Plaag; wanneer er te veel van 1 soort beetje is en het gewas opeet. Dit
gebeurt veel sneller bij een monocultuur omdat er maar 1 gewas is en zo
het beestje alles snel kan opeten, je kan dit bestrijden met chemische
middelen.
Exoten; beetjes die nieuw in dat land zijn en ook nieuw voor de mens.
Vormen snel een plaag omdat er geen natuurlijke vijanden zijn.
Kloon; uit 1 plantje ontstaan veel dezelfde plantjes zonder dat er een
mannetje en vrouwtje bij kwamen kijken.
Ongeslachtelijke voortplanting; de klonen zijn hierdoor ontstaan.
Hoofdstuk 2, soorten en relaties
Par 1, Soorten
Ecologisch en biologisch verbouwen; je gebruikt geen kunstmest en
chemische bestrijdingsmiddelen. Hierdoor heb je meer kans op plagen en
kan de oogst mislukken.
Biologische factoren; andere organismen die het gewas beïnvloeden.
Bodemorganisme (wormen, schimmels) en natuurlijke vijanden (vogels).
Abiotische factoren; tempratuur, de hoeveelheid regen en wind en de
grondsoort.
Tolerantiegebied; reeks waarden van
abiotische factorenen waarbij individuen
van een soort kunnen leven. Buiten het
tolerantiegebied gaan ze dood.
Minimumwaarde; het laagst waar
het organisme kan overleven.
Maximumwaarde; het hoogst waar
het organisme kan overleven.
Optimumwaarde; hier kan het
organisme op z’n best functioneren.
Wetenschappelijke naam; bestaat uit 2 delen en in het Latijns.
1. Geslacht; voorop en met een hoofdletter. Bijv. hazen.
2. Soort; achteraan en met een kleine letter. Bijv. poolhaas.
Systeem van ordening; je plaats groepen in steeds grotere groepen.
Organismen soorten geslachten families orden
Familie; een aantal geslachten bij elkaar.
Orde; grote groep achtige bij elkaar. Bijv. haasachtigen.
Par 2, Populaties
Monoculturen; een grote akker met 1 soort gewas. Je kan alle plantjes
tegelijk zaaien, de grote machines kunnen er efficiënt gebruik van maken
en de arbeidskosten zijn laag.
Plaag; wanneer er te veel van 1 soort beetje is en het gewas opeet. Dit
gebeurt veel sneller bij een monocultuur omdat er maar 1 gewas is en zo
het beestje alles snel kan opeten, je kan dit bestrijden met chemische
middelen.
Exoten; beetjes die nieuw in dat land zijn en ook nieuw voor de mens.
Vormen snel een plaag omdat er geen natuurlijke vijanden zijn.
Kloon; uit 1 plantje ontstaan veel dezelfde plantjes zonder dat er een
mannetje en vrouwtje bij kwamen kijken.
Ongeslachtelijke voortplanting; de klonen zijn hierdoor ontstaan.