ONTWIKKELINGSPSCYHOLOGIE
1
,HOOFDSTUK 1: SITUERING & HISTORIEK
4 thema’s: ontwikkeling van het kind
Ontwikkelingsfasen:
• prenataal
• babytijd
• peuter- en kleutertijd
• schooltijd
• adolescentie
• opkomende volwassenheid
• volwassenheid
• ouderdom
1.1 HISTORIEK: VROEGE DENKERS
1) Plato
• bijzondere talenten vroeg opsporen zodat opvoeding en scholing op ontwikkeling ervan gericht
kunnen worden (Politeia, 4de eeuw v.Chr.)
2) Aristoteles
tabula rasa
• mens wordt geboren als een onbeschreven blad
3) John Locke (1632-1704)
empirisme
• werkt tabula rasa idee verder uit
• ontwikkeling gebeurt onder invloed van de omgeving, die vormgeeft aan het gedrag van het kind
• "Iedereen kan alles worden."
(An Essay Concerning Human Understanding, 17de eeuw)
4) Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
=> nativisme
• kinderen worden geboren met inherent potentieel en talenten, die zich ontvouwen naarmate ze
opgroeien.
• rol van opvoeding
• begeleiding geven aangepast aan maturiteitsniveau
• gelegenheid tot exploratie bieden
2
,• aanmoedigen om de natuurlijke interesse te volgen
(Emile, 18de eeuw)
1.2 START VAN DE WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1) Charles Darwin (1809-1882)
=> evolutietheorie
• parallel tussen de ontwikkeling van individuen binnen een soort en hoe de soort zelf ontwikkeld is
• schreef een babybiografie over het eerste levensjaar van zijn zoon
• systematische observatie van kinderen
• start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
(On the Origin of Species by Natural Selection, 19de eeuw)
2) Stanley Hall (1844-1924)
• geïnspireerd door Darwin: ontogenese als herhaling van fylogenese
• ontwikkeling als rijpingsproces (reeks genetisch bepaalde gebeurtenissen die zich automatisch
ontvouwen, zoals een bloem)
• "Men kan de typische wildheid van kinderen maar beter toelaten tot een jaar of twaalf"
• stichter Child Study Movement
• adolescentie periode "storm en stress"
• eerste gebruik van vragenlijsten, normatieve benadering
3) Arnold Gesell (1880-1961)
• leerling van Stanley Hall
• bijnaam "father of child development"
• bestudeerde 10.000 kinderen via observatie en ouderinterviews
• "Als we effectieve hulpmiddelen gebruiken, onthult het kind zichzelf aan iedereen die stopt en
luistert naar wat het zegt en die met ziende ogen kijkt naar wat het doet."
• Gesell Developmental Schedules
• informeerde ouders over wat op welke leeftijd verwacht kan worden
4) Alfred Binet (1857-1911)
• Franse psycholoog
• eerste intelligentietest op vraag van het ministerie van onderwijs
• stimuleerde interesse in individuele verschillen in ontwikkeling
=> deze wetenschappers hadden een gemeenschappelijk doel: groei, verandering en stabiliteit tijdens
(vooral) kindertijd bestuderen
=> start van de wetenschappelijke studie van ontwikkeling
=> aanvankelijk sterke klemtoon op erfelijke sturing → 'genetische psychologie'
=> gaandeweg uitwerking nieuwe onderzoekstechnieken + ontwikkeling statistische technieken en
onderzoek paradigma’s
=> ook theorievorming kreeg nieuwe impulsen
=>pedagogiek: klemtoon op rol van opvoeding in ontwikkeling & behaviorisme: invloed van
ervaringen
=> 'genetische psychologie' → ontwikkelingspsychologie
3
, 1.3: 4 KERNVRAAGSTUKKEN
1)
continuïteit
• geleidelijke ontwikkeling
• kwantitatieve verschillen
• prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus.
discontinuïteit
• ontwikkeling in aparte stappen of stadia
• kwalitatieve verschillen
• elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud en hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere
stadia.
2)
kritieke periode
• bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk
• indien niet: onomkeerbare gevolgen
gevoelige periode
• extra ontvankelijk voor bepaalde soorten omgevingsstimuli
• optimale periode om bepaalde vermogens te ontwikkelen
3)
één universeel traject
• opeenvolging van stadia in universeel patroon.
• iedereen zelfde stadia rond zelfde leeftijd.
vele mogelijke trajecten
• door unieke combinaties van persoons- en omgevingskenmerken veel mogelijke trajecten.
=> gerelateerd aan de verschillende factoren die een rol spelen in ontwikkeling
=> sommige factoren beïnvloeden grote groepen individuen op gelijkaardige wijze (normatieve
gebeurtenissen)
• historisch bepaald
• leeftijdsgebonden
• sociaal-cultureel bepaald
~ universele aspecten
=> andere factoren spelen specifiek een rol in het leven van een bepaald persoon (niet-normatieve
gebeurtenissen)
~ unieke aspecten
4)
nature
• ontwikkeling vooral het resultaat van het zich geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie (=maturatie)
nurture
• ontwikkeling vooral bepaald door omgevingsfactoren van diverse aard (biologisch, sociaal,
maatschappelijk)
4
1
,HOOFDSTUK 1: SITUERING & HISTORIEK
4 thema’s: ontwikkeling van het kind
Ontwikkelingsfasen:
• prenataal
• babytijd
• peuter- en kleutertijd
• schooltijd
• adolescentie
• opkomende volwassenheid
• volwassenheid
• ouderdom
1.1 HISTORIEK: VROEGE DENKERS
1) Plato
• bijzondere talenten vroeg opsporen zodat opvoeding en scholing op ontwikkeling ervan gericht
kunnen worden (Politeia, 4de eeuw v.Chr.)
2) Aristoteles
tabula rasa
• mens wordt geboren als een onbeschreven blad
3) John Locke (1632-1704)
empirisme
• werkt tabula rasa idee verder uit
• ontwikkeling gebeurt onder invloed van de omgeving, die vormgeeft aan het gedrag van het kind
• "Iedereen kan alles worden."
(An Essay Concerning Human Understanding, 17de eeuw)
4) Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
=> nativisme
• kinderen worden geboren met inherent potentieel en talenten, die zich ontvouwen naarmate ze
opgroeien.
• rol van opvoeding
• begeleiding geven aangepast aan maturiteitsniveau
• gelegenheid tot exploratie bieden
2
,• aanmoedigen om de natuurlijke interesse te volgen
(Emile, 18de eeuw)
1.2 START VAN DE WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1) Charles Darwin (1809-1882)
=> evolutietheorie
• parallel tussen de ontwikkeling van individuen binnen een soort en hoe de soort zelf ontwikkeld is
• schreef een babybiografie over het eerste levensjaar van zijn zoon
• systematische observatie van kinderen
• start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
(On the Origin of Species by Natural Selection, 19de eeuw)
2) Stanley Hall (1844-1924)
• geïnspireerd door Darwin: ontogenese als herhaling van fylogenese
• ontwikkeling als rijpingsproces (reeks genetisch bepaalde gebeurtenissen die zich automatisch
ontvouwen, zoals een bloem)
• "Men kan de typische wildheid van kinderen maar beter toelaten tot een jaar of twaalf"
• stichter Child Study Movement
• adolescentie periode "storm en stress"
• eerste gebruik van vragenlijsten, normatieve benadering
3) Arnold Gesell (1880-1961)
• leerling van Stanley Hall
• bijnaam "father of child development"
• bestudeerde 10.000 kinderen via observatie en ouderinterviews
• "Als we effectieve hulpmiddelen gebruiken, onthult het kind zichzelf aan iedereen die stopt en
luistert naar wat het zegt en die met ziende ogen kijkt naar wat het doet."
• Gesell Developmental Schedules
• informeerde ouders over wat op welke leeftijd verwacht kan worden
4) Alfred Binet (1857-1911)
• Franse psycholoog
• eerste intelligentietest op vraag van het ministerie van onderwijs
• stimuleerde interesse in individuele verschillen in ontwikkeling
=> deze wetenschappers hadden een gemeenschappelijk doel: groei, verandering en stabiliteit tijdens
(vooral) kindertijd bestuderen
=> start van de wetenschappelijke studie van ontwikkeling
=> aanvankelijk sterke klemtoon op erfelijke sturing → 'genetische psychologie'
=> gaandeweg uitwerking nieuwe onderzoekstechnieken + ontwikkeling statistische technieken en
onderzoek paradigma’s
=> ook theorievorming kreeg nieuwe impulsen
=>pedagogiek: klemtoon op rol van opvoeding in ontwikkeling & behaviorisme: invloed van
ervaringen
=> 'genetische psychologie' → ontwikkelingspsychologie
3
, 1.3: 4 KERNVRAAGSTUKKEN
1)
continuïteit
• geleidelijke ontwikkeling
• kwantitatieve verschillen
• prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus.
discontinuïteit
• ontwikkeling in aparte stappen of stadia
• kwalitatieve verschillen
• elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud en hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere
stadia.
2)
kritieke periode
• bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk
• indien niet: onomkeerbare gevolgen
gevoelige periode
• extra ontvankelijk voor bepaalde soorten omgevingsstimuli
• optimale periode om bepaalde vermogens te ontwikkelen
3)
één universeel traject
• opeenvolging van stadia in universeel patroon.
• iedereen zelfde stadia rond zelfde leeftijd.
vele mogelijke trajecten
• door unieke combinaties van persoons- en omgevingskenmerken veel mogelijke trajecten.
=> gerelateerd aan de verschillende factoren die een rol spelen in ontwikkeling
=> sommige factoren beïnvloeden grote groepen individuen op gelijkaardige wijze (normatieve
gebeurtenissen)
• historisch bepaald
• leeftijdsgebonden
• sociaal-cultureel bepaald
~ universele aspecten
=> andere factoren spelen specifiek een rol in het leven van een bepaald persoon (niet-normatieve
gebeurtenissen)
~ unieke aspecten
4)
nature
• ontwikkeling vooral het resultaat van het zich geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische
informatie (=maturatie)
nurture
• ontwikkeling vooral bepaald door omgevingsfactoren van diverse aard (biologisch, sociaal,
maatschappelijk)
4