Pre 1300 (10)
1. Psychologisch isolement : geen contact met elkaar of met de toeschouwers
2. Plooival : heel fijne verticale lijnen/plooien = haarspeldbochten
a. Anatomische vorm onder de draperingen en de modelerende plooien in de vorm van
haarspelden
3. Muldenstil : speciale techniek voor suggestie van dynamiek in de plooival
4. Figuren zeer vlak
5. Expressiviteit
6. Aandacht voor menselijke anatomie
7. Figuren zeer lang => elegantie (S-curve)
8. Contraposto houding
9. Anatomische transpositie (bv heupen zeer duidelijk)
10. Belangstelling voor geometrie
11. Miniatuurkunst
12. Horror vacui
13. Bewogenheid, maar nog steeds vlakke figuren
14. Poging tot menselijke interacties
15. Contouren met zwarte lijnen => nadruk op lineaire karakter
1300-1350: Italië (22)
1. Vlak
2. Veel goud (tijdloze sfeer creëren)
3. Hoe groter het figuur, hoe belangrijker het is
4. Verbinding met de natuur
5. Diepte/ruimtelijkheid
6. Scherpe contouren waardoor ze iets lichamelijk krijgen
7. Zwaartekracht
8. Heftige emoties (pijn, medeleven,…)
9. Giotto laat onnodige zaken weg
10. Allegorische figuren in monotone tinten
11. Figuren monumentaler = bv dikker
12. Weten hun emoties te bedwingen
13. Figuren groter en realistischer
14. Expressiviteit
15. Details, narratieve elementen
16. Elegantie (curves in de kledij, gouden achtergrond, …)
17. Harmonie van de compositie
18. Perspectieven niet correct
19. Door de elegante curves => suggestie van beweging
20. Aandacht voor menselijke activiteit
1300-1350: Frankrijk (3 werken)
1. Meer volume in de figuren
2. Figuren juist in de ruimte geplaatst
1. Psychologisch isolement : geen contact met elkaar of met de toeschouwers
2. Plooival : heel fijne verticale lijnen/plooien = haarspeldbochten
a. Anatomische vorm onder de draperingen en de modelerende plooien in de vorm van
haarspelden
3. Muldenstil : speciale techniek voor suggestie van dynamiek in de plooival
4. Figuren zeer vlak
5. Expressiviteit
6. Aandacht voor menselijke anatomie
7. Figuren zeer lang => elegantie (S-curve)
8. Contraposto houding
9. Anatomische transpositie (bv heupen zeer duidelijk)
10. Belangstelling voor geometrie
11. Miniatuurkunst
12. Horror vacui
13. Bewogenheid, maar nog steeds vlakke figuren
14. Poging tot menselijke interacties
15. Contouren met zwarte lijnen => nadruk op lineaire karakter
1300-1350: Italië (22)
1. Vlak
2. Veel goud (tijdloze sfeer creëren)
3. Hoe groter het figuur, hoe belangrijker het is
4. Verbinding met de natuur
5. Diepte/ruimtelijkheid
6. Scherpe contouren waardoor ze iets lichamelijk krijgen
7. Zwaartekracht
8. Heftige emoties (pijn, medeleven,…)
9. Giotto laat onnodige zaken weg
10. Allegorische figuren in monotone tinten
11. Figuren monumentaler = bv dikker
12. Weten hun emoties te bedwingen
13. Figuren groter en realistischer
14. Expressiviteit
15. Details, narratieve elementen
16. Elegantie (curves in de kledij, gouden achtergrond, …)
17. Harmonie van de compositie
18. Perspectieven niet correct
19. Door de elegante curves => suggestie van beweging
20. Aandacht voor menselijke activiteit
1300-1350: Frankrijk (3 werken)
1. Meer volume in de figuren
2. Figuren juist in de ruimte geplaatst