1a. wat zie je met staafjes?
b. hoe kan het dat je met kegeltjes scherper ziet dan met staafjes?
2a. Hoe word het traanvocht over je oog verspreid?
b. wat is de functie van het traanvocht?
3a. Je kan de grote regelen van de pupil, maar waarvoor is dit nodig?
b. hoe heet het groter en kleiner maken van je pupil?
4 Omcirkel het goede antwoordt
a. Als je oogbol te kort is ben je verziend / bijziend.
b. Als je oogbol te lang is ben je verziend / bijziend.
c. als je verziend bent heb je een bril nodig met bolle / holle lenzen.
d. als je bijziend bent heb je een bril nodig met bolle / holle lenzen.
5a. Waardoor kan je diepte zien?
b. Waarom is het handig om diepte te zien?
6a Wat is geluid?
b. noem de 3 gehoorbeentjes.
7a. het aantal trillingen per seconde heet_______________.
b. hoe zacht of hoe hard een geluid is meet je in_________________.
8a. hoe kan je een middenoorontsteking krijgen?
b. hoe kan het dat kleine kinderen meer kans hebben om een middenoorontsteking te krijgen?
9a. Wat speelt er allemaal mee of je eten lekker of vies vindt (noemer 3)?
b. wat is een receptor?
b. hoe kan het dat je met kegeltjes scherper ziet dan met staafjes?
2a. Hoe word het traanvocht over je oog verspreid?
b. wat is de functie van het traanvocht?
3a. Je kan de grote regelen van de pupil, maar waarvoor is dit nodig?
b. hoe heet het groter en kleiner maken van je pupil?
4 Omcirkel het goede antwoordt
a. Als je oogbol te kort is ben je verziend / bijziend.
b. Als je oogbol te lang is ben je verziend / bijziend.
c. als je verziend bent heb je een bril nodig met bolle / holle lenzen.
d. als je bijziend bent heb je een bril nodig met bolle / holle lenzen.
5a. Waardoor kan je diepte zien?
b. Waarom is het handig om diepte te zien?
6a Wat is geluid?
b. noem de 3 gehoorbeentjes.
7a. het aantal trillingen per seconde heet_______________.
b. hoe zacht of hoe hard een geluid is meet je in_________________.
8a. hoe kan je een middenoorontsteking krijgen?
b. hoe kan het dat kleine kinderen meer kans hebben om een middenoorontsteking te krijgen?
9a. Wat speelt er allemaal mee of je eten lekker of vies vindt (noemer 3)?
b. wat is een receptor?