lOMoAR cPSD| 24083056
Celleer
Inleiding
Cel= kleinste atomische en functionele eenheid van leven, gevormd door een eenheid van eerder
bestaande cellen.
4 basisconcepten:
A. Bouwstenen van alle leven (planten en dieren)
B. Kleinste functionerende eenheden van leven
C. Worden gevormd door deling van eerdere cellen
(!) 1e cellen door toevallige juiste fysio chemische processen
(!) Mensen kunnen genomen maken in labo
➔(niet helemaal waar dus)
D. Hebben een inwendig evenwicht = homeostase
Indeling:
- Eukaryoten (deze cursus):
• Goed gespecialiseerd
• 1 of meercellig
• Groot
• Kern begrensd ➔kernmembraan
• Celorganellen begrensd ➔membraan
• 1cellige (Protista) , meercellig (animalia, plantae, fungi)
• Celdifferentiatie: verschillende cellen ontwikkelen subspecialisaties en gaan
verschillen van vorm(morfologie) en functie. ➔ vetcellen, spiercellen, …
• Sferisch, langwerpig, kubisch, cilindrisch, dendritisch met uitlopers, …
• Waarschijnlijk ontstaan door samensmelting tss Eubacteria en archae-bacteriae:
LECA= (The Last Eukaryotic Common Ancestor) voorvader van alle eukaryoten
- Prokaryoten:
• Eencellig
• Eenvoudig, geen kern, weinig organellen (protista)
• “echte” bacteriën (Eubacteria) + archea-bacteriae
• Sferisch, staafjes, spiraalvormig
Centrale dogma van de celbiologie: “Alle cellen zijn gekenmerkt door identieke basischemie”
Bestaan uit zelfde soorten moleculen die in zelfde soorten chemische reacties deelnemen
- Erfelijk materiaal= DNA (=genoom, verzameling van genen)
▪ Dezelfde codes vr alle organisme
▪ Met dezelfde bouwsteentjes (=nucleotiden)
- DNA overgeschreven (transcriptie) ➔ RNA
- RNA een deel vertaald (translatie) ➔ eiwit
- Eiwitten bepalend vr uitzicht en functie vn organisme
(!) mRNA-editing: de-aminatie van adenosine in DNA waardoor inosines verschijnen, hierdoor
ontstaan guanines ipv thymines
e)
, lOMoAR cPSD| 24083056
Gemiddelde celgrootte= 10 micrometer (µm) (=100 cellen in 1 mm)
(!) VIRUS= GEEN cel want kan niet zelfstandig repliceren.
• Replicatie ➔ afhankelijk van gast-heercel
• Genetische informatie ook in DNA en RNA ➔ nucleïnezuren = verpakt in
eiwitkapsel met soms daarrond lipiden membraan ➔ op membraan zitten
eiwitten die binden op celspecifieke receptoren
=== virus in cel geleid via receptor gemedieerde endo-cytose
Celbouw vn een eukaryote (menselijke) cel
Celsoorten en hun origine:
Alle cellen afgeleid van de Zygote (= unieke cel ontstaan door versmelting van oöcyte +
spermatozoön bij fertilisatie(bevruchting)
• Eerste celdeling = Klievingsdelingen (delen zonder volumetoename van geheel)
vormen blastomeren
• Morula (moerbrei) = (16 blastomeren) ➔ blastocyst met embryonische
stamcellen ➔ Embryo
• embryonische stamcellen geven aanleiding tot celdifferentiatie van versch
celsoorten
=versch. sets van genen ge(in)activeerd ➔ unieke vorm en functie
• 4 soorten cellen:
▪ Opp.cellen (epithelen)
▪ Steuncellen (BW)
▪ Contractiecellen (spierweefsel)
▪ Zenuwcellen (geleidingscellen
Celdifferentiatie:
- Opp-cel = epithelen
- Steun-cellen= bindweefsel
- Contractiele cellen = spierweefsel
- Zenuwcellen = geleidingscellen
(!) Hoe een cel eruitziet en zich gedraagt:
hangt af vn hoe cel is gedifferentieerd + eig. vn cel-omgeving (interstitium)
= “cell micro-environment” cellulaire micro-omgeving
bv: gladde spiercellen in uterus (=baarmoeder) zijn hormoongevoelig, spieren in de arm
helemaal niet.
,lOMoAR cPSD| 24083056
Basisanatomie Eukaryote cel:
Celbouw:
-
celmembraan: scheidt cel inhoud af vn omgeving of extracelullaire matrix
-
cytoplasma:
o cytosol= vloeistof
o celorganellen= interne celstructuren
o cytoskelet
- celkern + nucleolen(=kernlichaampjes)
LM = cellen, celkernen en nucleolen
EM = celorganellen
e)
, lOMoAR cPSD| 24083056
2.1Celmembraan of plasmalemma
=scheidt cel inhoud af van extracellulaire materie. + buitengewoon dun
= zichtbaar met EM
= LM ook zichtbaar maar ➔ niet alleen celmembraan, ook membraan EW en intracellulair materiaal
die het lijntje vormen
=biedt stevigheid, fysische barrière
• Bestaat uit vetten met daarin ronddrijvende eiwitten (fluid mosaic model) (!) niet
zichtbaar met LM
• membraanlipiden:
▪ Glycero-fosfolipiden
▪ Spingo-lipiden
▪ Sterolen (ringstructuur)
(vb=cholesterol)
• Eiwitten
▪ Transmembranair
▪ Perifeer
• Suikers en glycoproteine/lipiden
complexen.
(!) suiker geen basisstructuur op zich
(gebonden)
A. Membraanlipiden (+-40% massa)
Lipiden= amphipatisch
- Hydrofiele fosfaatkoppen (zoekt water op)
- Hydrofobe staarten (mijdt water)
Bilayer = dubbelllaag
Water zit dus binnen als buiten de cel, maar niet bij de
staarten in het membraan.
Eigenschappen
- Selectieve barriere
- Inwendige beschermen + chemische concentraties constant houdt
- Zelfherstellend (staarten stoten water af en zoeken elkaar weer op)
Celleer
Inleiding
Cel= kleinste atomische en functionele eenheid van leven, gevormd door een eenheid van eerder
bestaande cellen.
4 basisconcepten:
A. Bouwstenen van alle leven (planten en dieren)
B. Kleinste functionerende eenheden van leven
C. Worden gevormd door deling van eerdere cellen
(!) 1e cellen door toevallige juiste fysio chemische processen
(!) Mensen kunnen genomen maken in labo
➔(niet helemaal waar dus)
D. Hebben een inwendig evenwicht = homeostase
Indeling:
- Eukaryoten (deze cursus):
• Goed gespecialiseerd
• 1 of meercellig
• Groot
• Kern begrensd ➔kernmembraan
• Celorganellen begrensd ➔membraan
• 1cellige (Protista) , meercellig (animalia, plantae, fungi)
• Celdifferentiatie: verschillende cellen ontwikkelen subspecialisaties en gaan
verschillen van vorm(morfologie) en functie. ➔ vetcellen, spiercellen, …
• Sferisch, langwerpig, kubisch, cilindrisch, dendritisch met uitlopers, …
• Waarschijnlijk ontstaan door samensmelting tss Eubacteria en archae-bacteriae:
LECA= (The Last Eukaryotic Common Ancestor) voorvader van alle eukaryoten
- Prokaryoten:
• Eencellig
• Eenvoudig, geen kern, weinig organellen (protista)
• “echte” bacteriën (Eubacteria) + archea-bacteriae
• Sferisch, staafjes, spiraalvormig
Centrale dogma van de celbiologie: “Alle cellen zijn gekenmerkt door identieke basischemie”
Bestaan uit zelfde soorten moleculen die in zelfde soorten chemische reacties deelnemen
- Erfelijk materiaal= DNA (=genoom, verzameling van genen)
▪ Dezelfde codes vr alle organisme
▪ Met dezelfde bouwsteentjes (=nucleotiden)
- DNA overgeschreven (transcriptie) ➔ RNA
- RNA een deel vertaald (translatie) ➔ eiwit
- Eiwitten bepalend vr uitzicht en functie vn organisme
(!) mRNA-editing: de-aminatie van adenosine in DNA waardoor inosines verschijnen, hierdoor
ontstaan guanines ipv thymines
e)
, lOMoAR cPSD| 24083056
Gemiddelde celgrootte= 10 micrometer (µm) (=100 cellen in 1 mm)
(!) VIRUS= GEEN cel want kan niet zelfstandig repliceren.
• Replicatie ➔ afhankelijk van gast-heercel
• Genetische informatie ook in DNA en RNA ➔ nucleïnezuren = verpakt in
eiwitkapsel met soms daarrond lipiden membraan ➔ op membraan zitten
eiwitten die binden op celspecifieke receptoren
=== virus in cel geleid via receptor gemedieerde endo-cytose
Celbouw vn een eukaryote (menselijke) cel
Celsoorten en hun origine:
Alle cellen afgeleid van de Zygote (= unieke cel ontstaan door versmelting van oöcyte +
spermatozoön bij fertilisatie(bevruchting)
• Eerste celdeling = Klievingsdelingen (delen zonder volumetoename van geheel)
vormen blastomeren
• Morula (moerbrei) = (16 blastomeren) ➔ blastocyst met embryonische
stamcellen ➔ Embryo
• embryonische stamcellen geven aanleiding tot celdifferentiatie van versch
celsoorten
=versch. sets van genen ge(in)activeerd ➔ unieke vorm en functie
• 4 soorten cellen:
▪ Opp.cellen (epithelen)
▪ Steuncellen (BW)
▪ Contractiecellen (spierweefsel)
▪ Zenuwcellen (geleidingscellen
Celdifferentiatie:
- Opp-cel = epithelen
- Steun-cellen= bindweefsel
- Contractiele cellen = spierweefsel
- Zenuwcellen = geleidingscellen
(!) Hoe een cel eruitziet en zich gedraagt:
hangt af vn hoe cel is gedifferentieerd + eig. vn cel-omgeving (interstitium)
= “cell micro-environment” cellulaire micro-omgeving
bv: gladde spiercellen in uterus (=baarmoeder) zijn hormoongevoelig, spieren in de arm
helemaal niet.
,lOMoAR cPSD| 24083056
Basisanatomie Eukaryote cel:
Celbouw:
-
celmembraan: scheidt cel inhoud af vn omgeving of extracelullaire matrix
-
cytoplasma:
o cytosol= vloeistof
o celorganellen= interne celstructuren
o cytoskelet
- celkern + nucleolen(=kernlichaampjes)
LM = cellen, celkernen en nucleolen
EM = celorganellen
e)
, lOMoAR cPSD| 24083056
2.1Celmembraan of plasmalemma
=scheidt cel inhoud af van extracellulaire materie. + buitengewoon dun
= zichtbaar met EM
= LM ook zichtbaar maar ➔ niet alleen celmembraan, ook membraan EW en intracellulair materiaal
die het lijntje vormen
=biedt stevigheid, fysische barrière
• Bestaat uit vetten met daarin ronddrijvende eiwitten (fluid mosaic model) (!) niet
zichtbaar met LM
• membraanlipiden:
▪ Glycero-fosfolipiden
▪ Spingo-lipiden
▪ Sterolen (ringstructuur)
(vb=cholesterol)
• Eiwitten
▪ Transmembranair
▪ Perifeer
• Suikers en glycoproteine/lipiden
complexen.
(!) suiker geen basisstructuur op zich
(gebonden)
A. Membraanlipiden (+-40% massa)
Lipiden= amphipatisch
- Hydrofiele fosfaatkoppen (zoekt water op)
- Hydrofobe staarten (mijdt water)
Bilayer = dubbelllaag
Water zit dus binnen als buiten de cel, maar niet bij de
staarten in het membraan.
Eigenschappen
- Selectieve barriere
- Inwendige beschermen + chemische concentraties constant houdt
- Zelfherstellend (staarten stoten water af en zoeken elkaar weer op)