Regie & Management
Aantekeningen
WEEK B4
1. Hiërarchische sturing: gebaseerd op voorschriften en regels, aangevuld met controle en
sancties.
2. Formele individualistische sturing: formele prikkels en stimulansen, redenerend vanuit
verantwoordelijkheden en autonomie van het individu.
3. Informele individualistische sturing : informele prikkels en stimulansen, redeneren vanuit
4. Egalitaire sturing: stelt vertrouwen in de basis en participatie van onderaf. Afstemming en
consensus staan centraal.
5. Fatalistische sturing: nadruk op onvoorspelbaarheid, waardoor doelgericht handeling weinig
zinvol is. De sturing is reactief, er wordt achteraf op gebeurtenissen gereageerd.
Leiderschap = vermogen om leiding te geven
leidinggeven = management functie die gericht is op het begeleiden en motiveren van
ondergeschikten zodat deze de taken uitvoeren die nodig zijn om de organisatiedoelen te bereiken.
Verschillende manieren om naar management en leidinggeven te kijken:
- type organisatie en de plek daarbinnen;
- 8 rollen van de manager: concurrerende waardenmodel van Quinn;
- stijlen van leidinggeven vanuit 3 perspectieven
Manager is verzamelnaam voor diverse soortgenoten. De diversiteit heeft te maken met:
- de hiërarchische plek in de organisatie:
- topmanagement
- middenmanagement
- operationeel management
- het type organisatie:
- profit
-non-profit
- de omvang van de organisatie
Concurrerende waardenmodel. Robert Quinn.
, Rationele doelmiddel: begin vorige eeuw was productiviteit en winst het enige oogmerk.
interne-procesmiddel: beschreven door Weber (bureaucratische organisatie) en Fayol (
administratieve principes.
human-relationsmodel: nadruk op verhoging van inzet, samenhang en moreel van de werknemers.
opensysteemmodel: een ambigue en competitieve omgeving. Aanpassingsvermogen en
ondersteuning als belangrijkste criteria voor effectiviteit.
8 rollen van de manager:
autoritair leiderschap: leidinggevende neemt alle beslissingen zelf.
democratisch leiderschap: leider is onderdeel van de groep die gezamenlijk beslissingen neemt.
participatief leiderschap: leider is onderdeel van de groep, maar blijft de baas. Hij betrekt de groep
bij zijn besluiten.
Resultaatgericht leiderschap: aandacht voor productie (bedrijfsbelang).
relatiegericht leiderschap: aandacht voor de mens (personeelsbelang).
Aantekeningen
WEEK B4
1. Hiërarchische sturing: gebaseerd op voorschriften en regels, aangevuld met controle en
sancties.
2. Formele individualistische sturing: formele prikkels en stimulansen, redenerend vanuit
verantwoordelijkheden en autonomie van het individu.
3. Informele individualistische sturing : informele prikkels en stimulansen, redeneren vanuit
4. Egalitaire sturing: stelt vertrouwen in de basis en participatie van onderaf. Afstemming en
consensus staan centraal.
5. Fatalistische sturing: nadruk op onvoorspelbaarheid, waardoor doelgericht handeling weinig
zinvol is. De sturing is reactief, er wordt achteraf op gebeurtenissen gereageerd.
Leiderschap = vermogen om leiding te geven
leidinggeven = management functie die gericht is op het begeleiden en motiveren van
ondergeschikten zodat deze de taken uitvoeren die nodig zijn om de organisatiedoelen te bereiken.
Verschillende manieren om naar management en leidinggeven te kijken:
- type organisatie en de plek daarbinnen;
- 8 rollen van de manager: concurrerende waardenmodel van Quinn;
- stijlen van leidinggeven vanuit 3 perspectieven
Manager is verzamelnaam voor diverse soortgenoten. De diversiteit heeft te maken met:
- de hiërarchische plek in de organisatie:
- topmanagement
- middenmanagement
- operationeel management
- het type organisatie:
- profit
-non-profit
- de omvang van de organisatie
Concurrerende waardenmodel. Robert Quinn.
, Rationele doelmiddel: begin vorige eeuw was productiviteit en winst het enige oogmerk.
interne-procesmiddel: beschreven door Weber (bureaucratische organisatie) en Fayol (
administratieve principes.
human-relationsmodel: nadruk op verhoging van inzet, samenhang en moreel van de werknemers.
opensysteemmodel: een ambigue en competitieve omgeving. Aanpassingsvermogen en
ondersteuning als belangrijkste criteria voor effectiviteit.
8 rollen van de manager:
autoritair leiderschap: leidinggevende neemt alle beslissingen zelf.
democratisch leiderschap: leider is onderdeel van de groep die gezamenlijk beslissingen neemt.
participatief leiderschap: leider is onderdeel van de groep, maar blijft de baas. Hij betrekt de groep
bij zijn besluiten.
Resultaatgericht leiderschap: aandacht voor productie (bedrijfsbelang).
relatiegericht leiderschap: aandacht voor de mens (personeelsbelang).