Nederlands recht begrepen: 9789462902053
Nederlands recht begrepen
Hoofdstuk 1 (1-7)
Het doel van het recht is: het ordenen van de samenleving en het geven van regels om
conflicten op te lossen zodat de orde kan terugkeren. Een voorbeeld is huur, in het
huurcontract staan regels voor de huurder om conflicten, als die ontstaat, te voorkomen.
Er zijn 4 verschillende soorten rechtsgebieden. Het staatsrecht geeft grondrechten voor de
Staat. Het biedt vooral beschrijvingen en relaties. Het is een soort organisatieplaatje van de
overheid. Het bestuursrecht houdt zich ook bezig met de overheid, maar dan de ordenende
taak van de overheid. Het strafrecht geeft straffen voor gedragingen waar een straf op staat.
De straffen lopen uiteen, van boete tot celstraf. Het burgerlijk recht regelt de
rechtsverhoudingen tussen burgers onderling. Hieronder valt bijvoorbeeld het personen- en
familierecht, het vermogensrecht, het erfrecht of het rechtspersonenrecht. Ieder betekent iets
anders maar het is allemaal genoteerd in het burgerlijk recht, ook wel civiel of privaatrecht
genoemd.
Bij het publiekrecht heeft de overheid een geheel eigen taak. Er beschikken meerdere organen
over taken binnen het publiekrecht. Ondanks verzet van burgers kan een overheidsorgaan zijn
wil toch doorzetten. Het bevat wetten die overheidsorganen in staat stellen de samenleving te
ordenen.
Er is ook onderscheid tussen materieel en formeel recht. Materieel recht beschrijft rechten en
plichten van mensen en instellingen. Formeel recht handhaaft het materieel recht, dus komt
pas als het materieel recht geschonden wordt. Het is dus eigenlijk het procesrecht.
Nationaal recht zijn de rechten die gelden in een land, internationaal recht geldt voor
verschillende staten. Dit staat vast in verdragen, bijvoorbeeld de EU.
Het verschil tussen objectief en subjectief recht is dat objectief letterlijk in de wet staat en
subjectief is wat mensen ontlenen aan dit recht.
Het recht kan dus worden ingedeeld op rechtsgebied, rol van de overheid, formeel/materieel
recht, reikwijdte (nationaal) en of het objectief of subjectief is.
,Met recht bedreven: 9789046904756
Nederlands recht begrepen: 9789462902053
Hoofdstuk 2 (1-6)
Er zijn vier verschillende rechtsbronnen. Om te beginnen het internationaal verdrag. Hier
valt bijvoorbeeld de EU onder, de regels gelden in alle landen die meedoen. De wet is een
andere rechtsbron. Er zijn veel wetten waar verschillende dingen in geregeld staan. Hier kan
je van elk recht iets vinden. De wet kan in formele zin zijn, dat is door wie de wet is gemaakt.
Het is afkomstig van regering en volksvertegenwoordigingen samen. De wet in materiële zin
is voor wie het geldt. Alle algemeen verbindende overheidsvoorschriften, ongeacht wie het
heeft gemaakt. Dit kan ook met elkaar overlappen. Bijvoorbeeld het Wetboek van Strafrecht
overlapt.
Jurisprudentie is een andere rechtsbron. Dit is de verzameling van alle rechterlijke
uitspraken die onze rechters hebben gedaan. Dit kan je online vinden en alles staat hierin
genoteerd. Er wordt ook uitleg gegeven waarom de rechter deze uitspraak heeft gedaan.
De laatste rechtsbron is de gewoonte. Dit is iets wat door veel mensen als een recht wordt
ervaren, alleen staat het niet in de wet. Een goed voorbeeld is de veehandel, het staat niet in
de wet maar meestal gaat het met handjeklap en word er gewoon vanuit gegaan dat het goed
gaat.
Er zijn dus 4 verschillende rechtsbronnen. De belangrijkste is het internationaal verdrag. De
andere zijn de wet, de jurisprudentie en de gewoonte.
, Met recht bedreven: 9789046904756
Nederlands recht begrepen: 9789462902053
Hoofdstuk 7 (m.u.v 8)
De bestuurstaak richt zich op het maken van algemene, voor iedereen geldende regels. Zoals
het doen doen uitkeringen, het organiseren van onderwijs etc. Een burger komt hier vaak mee
in aanraking. Dat komt doordat de bestuurstaak veelomvattend is.
Er was in 1983 dringend behoefte aan een wet die het bestuursrecht regelt. Het was namelijk
chaos geworden en de overheidsbemoeienis werd steeds groter. De Algemene wet
bestuursrecht heeft ervoor gezorgd dat met dezelfde termijnen, procedures en begrippen
wordt gewerkt. De Awb gaat niet over de inhoud, maar over de algemene regels. Het heeft
een gelaagde structuur, dus het gaat van algemeen naar bijzonder.
Het bestuursorgaan en de belanghebbende zijn belangrijke rollen in de Awb. Het
bestuursorgaan is degene die de bevoegdheden uitoefent. Een publiekrechtelijk rechtspersoon
is een organisatie die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. Ze zijn door de wet
opgericht om de overheidstaak te verrichten. Een ander bestuursorgaan is een persoon die met
openbaar gezag is gekleed. Dit zijn niet-bestuursorganen die wel een taak uitvoeren. Nog een
ander bestuursorgaan is een zelfstandige bestuursorgaan. Zij voeren zelfstandig de taak uit en
staan niet onder gezag.
De belanghebbende heeft individueel belang. Het mag niet collectief zijn. Ook moeten zij
rechtstreeks worden geraakt. Een rechtspersoon kan ook een belanghebbende zijn.
Het besluit is het belangrijkste product van het bestuursrecht. Dit is schriftelijk en afkomstig
van een bestuursorgaan. De inhoud moet bestaan uit een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Bestuurshandelingen bestaan uit feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Feitelijke
handelingen zijn niet bedoeld om de rechten en plichten te scheppen. Typerend voor een
rechtshandeling is dat het wel is bedoeld om de rechten en plichten te scheppen.
Privaatrechtelijke rechtshandelingen scheppen die in het burgerlijk recht. Publiekrechtelijke
rechtshandeling kan alleen door een overheidsorgaan worden verricht.
Er zijn 2 soorten besluiten. Een beschikking, dat is een besluit die zich richt op een individu,
een bepaalde groep of een concrete zaak. Een besluit in algemene strekking geeft algemene
regels die voor langere tijd gelden en op meerde mensen. Er zijn 3 soorten, algemeen
verbindende voorschriften (iedereen aan gebonden), beleidsregels (geven aan hoe zij met
beleidsruimte omgaan) en een plan (besluit dat samenhang aanbrengt tussen verschillende
onderdelen van beleid).
Het legaliteitsbeginsel komt erop neer dat overheidsbevoegdheden hun grondslag moeten
vinden in de wet. Dit zijn attributie, delegatie en mandaat.
Attributie is als de wet rechtstreeks een bestuursbevoegdheid toekent aan een bestuursorgaan.
Delegatie is dat een bestuursorgaan zijn bevoegdheid niet rechtstreeks krijgt uit de wet maar
van een ander bestuursorgaan, het is dus het overdragen. Die het overdraagt is zelf zijn
bevoegdheid kwijt en kan deze niet meer uitoefenen.
Mandaat is als een bestuursorgaan of ambtenaar in naam van een ander bestuursorgaan
besluiten mag nemen. Hij neemt het dus niet over, zoals bij delegatie, maar hij geeft een
ander opdracht om in zijn naam besluiten te nemen.
De Algemene beginselen van behoorlijk bestuur richten zich tot bestuursorganen. Hierin